Ter aarde

Wat zou het langst op zijn netvlies blijven, vroeg presentator Rob Trip na afloop van de indrukwekkende begrafenis van Nelson Mandela aan Adriaan van Dis in de studio. De toespraak van zijn vriend Ahmed Kahtrada, dacht Van Dis.

Dat was inderdaad de beste en persoonlijkste rede van de bijeenkomst. Kahtrada zat samen met Mandela gevangen, slechts één jaar korter dan de 27 jaar van zijn vriend. Met trillende stem zei hij dat hij Mandela beschouwde als een broer die hij niet kon missen. „Mijn leven zit in een leegte, ik weet niet tot wie ik me kan wenden.”

Wat míj vooral zal bijblijven, was de aanblik van Winnie Mandela op de voorste rij. Even vroeg ik me af of zij het wel was, die oude vrouw met de halfgeloken ogen achter grote brillenglazen. Haar energie leek verdwenen, haar geest gebroken. In haar slappe rechterhand bungelde een programmaboekje met de foto van haar ex-man op de voorkant.

Dit beeld vloeide bij mij onwillekeurig over in de iconische tv-beelden van Mandela’s vrijlating in februari 1990 – hand in hand met een euforische Winnie. Dat geluk was sindsdien verdampt, alsof het er nooit geweest was.

Gistermorgen zat ik al om half negen voor de buis in de verwachting dat het een intiemere bijeenkomst zou worden dan de groot opgezette herdenkingsplechtigheid van vorige week. Zo verliep het ook, al waren er ook matige en wijdlopige sprekers. Een kleinzoon bracht het niet verder dan een vlakke opsomming van feiten, een bisschop wist niet meer van ophouden. Maar de toespraken van de heftige Joyce Banda, president van Malawi, en Mandela’s kleindochter Nandi maakten veel goed.

Hoe ging dit aflopen? Kregen we ook Mandela’s teraardebestelling te zien? Het bleef lang onzeker, maar uiteindelijk zwenkten de camera’s decent weg van de baar in Qunu, waar alleen de familie en wat stramme militairen waren overgebleven. Zo bleef de plechtigheid voor de buitenstaander onvoltooid, bijna in de geest van president Zuma die in zijn rede had gezegd: „We zullen geen afscheid nemen, want je bent niet weg, je leeft voort.”

Na afloop liep ik naar het Leidseplein waar de herdenking in de Stadsschouwburg al was begonnen. Ik liep door naar de Ajax-foyer – bij het befaamde balkon – om aan te sluiten in de rij voor het condoleanceregister. Sommige mensen penden zittend aan de tafel lange ontboezemingen, alsof ze van hun dierbaarste vriend afscheid namen.

Een vrouw vroeg me of ze vóór me in de rij mocht, ze voelde zich ziek en kon niet lang staan. Toen ze aan de beurt was, nam ze zoveel tijd dat een toezichthoudende mevrouw haar voorzichtig moest aansporen. „Er is tijd genoeg”, snibde de schrijvende vrouw. „Alle tijd. Híj heeft ook veel tijd nodig gehad.”

Waarna ze nog een paar minuten doorschreef voordat ze de zaal verontwaardigd verliet.

Ik liep door naar het middendeel van het gebouw, rukte een willekeurige deur open en belandde in een warme, afgeladen zaal waar de herdenkingsbijeenkomst in volle gang was. Conny Braam hield op de bühne een geestdriftige toespraak en nam afscheid met een gebald vuistje. Zij was een van de weinigen die ooit met Mandela achterop de fiets door Amsterdam was gereden, lachte de presentatrice.

Daar verbleekt míjn Mandela-moment bij. Dat vond in 1999 plaats op de Leidsegracht. Hij stond op een open rondvaartboot en zwaaide naar ons, boven op de brug.

We zwaaiden terug, zingend.