Spelcomputers worden vernieuwd, maar écht nieuwe games blijven uit

De recente lancering van de PlayStation 4 en Xbox One is de start van een nieuwe generatie spelcomputers. Bij de games is het niet makkelijk te zien wat ‘next-generation’ echt betekent.

GranTurismo6: bedoeld voor PS3, gelanceerd na PS4.

Wie de afgelopen maanden het nieuws over games een beetje bijhield, kan het niet zijn ontgaan: de lancering van een nieuwe generatie spelcomputers is een feit. De afgelopen generatie consoles – Nintendo’s Wii, Microsofts Xbox 360 en Sony’s PlayStation 3 – was aan het eind van hun technologische levenscyclus, zo heette het, en dus verschenen in het tijdsbestek van een jaar de WiiU, de Xbox One en PlayStation4 op de markt. Drie machines die meer en andere dingen kunnen dan hun voorgangers, en die volgens de marketing meer van deze tijd zijn.

‘Next-gen’ verving dus ‘current-gen’, zoals het heet in de gaming media, met alle verwachtingen van dien. Want hoe ‘next generation’ zijn die apparaten nu eigenlijk? Wordt de belofte die wordt verkocht ook ingelost? De fans hoef je niets meer te vertellen: met name de PS4 breekt momenteel verkooprecords. Maar hoe noodzakelijk is het voor de gemiddelde consument de oude machines op Marktplaats te zetten en de knip te trekken?

Het antwoord is niet eenduidig. Enerzijds zijn er de technische specificaties van de PS4 en Xbox One waar computerliefhebbers van gaan watertanden. Er zijn nieuwe functionaliteiten die in het oog springen en er is de mogelijkheid om de machine als geavanceerde settop box te gebruiken voor film en sociale media. Dat is mooi en werkt naar behoren, maar dat doen de oude machines ook, en dat zullen ze nog heel lang doen. Kijk rond in een willekeurige elektronicazaak en de PlayStation3 staat nog trots in de schappen. Voor de Xbox 360 en Wii geldt hetzelfde.

Die machines zijn dus niet ineens uit de winkel gehaald en worden in de afzienbare toekomst nog uitvoerig ondersteund met software-updates en nieuwe games. Gran Turismo6 bijvoorbeeld, een prachtig gemaakt en supergedetailleerd racespel, kwam pas ná de lancering van de PlayStation4 op de markt – voor PlayStation3. Dat spel doet technisch niet onder voor de eerste lichting games voor de nieuwe consoles, die zich tot op heden nog weinig onderscheiden van hun voorgangers. Zeker, er zijn games die wél recht doen aan de nieuwste lichting consoles, zoals Killzone Shadow Fall voor PS4 en Ryse: Son of Rome voor Xbox One. Maar, om het mild te stellen: een technische achtergrond is bijna een voorwaarde om precies te zien waar de verbeteringen zitten.

Het geeft maar aan hoezeer ‘next-gen’ voor de consument op dit moment een keuze is. Net als voor de gamestudio’s en -uitgevers overigens. Het bouwen van een blockbustergame vergt een gigantische investering in tijd en geld. Wil je een spel bouwen dat echt van de volgende generatie is, dan is die inspanning groter dan bij het voortborduren op eerdere processen. Daarnaast moet je bedrijf vanwege de vernieuwing in de games anders worden ingericht – en hoe dan precies?

Neem als voorbeeld het interessante ‘next-gen’ concept ‘levende software’, waar PlayStation-architect Mark Cerny fan van is. In plaats van een product dat af is als het bij de consument terecht komt, worden na de lancering op gezette tijden nieuwe spelelementen naar diens harde schijf gekopieerd: een nieuwe raceauto, andere levels. Het achterliggende idee is dat de speler elke keer als hij zijn systeem opstart een net wat ander spel aantreft, vol aantrekkelijke nieuwe uitdagingen. Je koopt een product, en krijgt er een flink stuk online dienstverlening bij. Een prachtig ‘next-gen’ concept, waarbij de nieuwe technologie veel voller wordt omarmd dan nu het geval is – maar een die alleen werkt als de studio in kwestie er qua organisatie helemaal voor is ingericht. En daar moet een studio wel voor (kunnen) kiezen.