Speel met spelling, ga er vrijer mee om

Niet erg, die fouten in het Groot Dictee, hou op met maar één spelling, schrijft Felix van de Laar.

Op woensdag 18 december is het Groot Dictee der Nederlandse Taal weer op de buis. Bij hun uitleg waarom fouten fouten zijn, verwijzen de juryleden naar de Woordenlijst der Nederlandse Taal. Naast de lijst van woorden staat er in dat bewuste Groene Boekje uit 2005 een inleiding over de spellingregels.

Dat blijken er 325 te zijn. Stel dat je die allemaal uit je hoofd zou kennen, weet je dan van elk woord hoe je het spelt? Nee, want meteen al regel 2 verwijst naar de etymologie, waardoor je een woord volgens oudere spellingvormen moet schrijven (met au(w) of ou(w) of oe of ei of ij of ch) of volgens de brontaal (Engels, Frans, Grieks, Italiaans, Zweeds...). Het Nederlands heeft in de twintigste eeuw vergeten leenwoorden volgens zijn eigen fonologische spellingsysteem (regel 1) te gaan schrijven. En het Groene Boekje bevat enkele honderden woorden in twee spellingvarianten. In 1995 en 2005 heeft het Groene Boekje bovendien het keurslijf van wel of geen hoofdletters, spaties, streepjes en apostrofs strakker aangehaald. Sinds 2005 steeg het gemiddelde aantal ‘fouten’ bij het Groot Dictee dan ook van 22 naar 30.

Wie niet erkent dat de spelling van het Nederlands een probleem is, draagt oogkleppen. Leerkrachten kunnen niet meer feilloos spellen. Mensen die door hun werkgever op een cursus spellen worden gestuurd, gooien de handdoek na een dag al in de ring. De spelling is te moeilijk en te onvoorspelbaar. Terwijl je zou denken dat iedereen die Nederlands spreekt, met weinig extra moeite ook Nederlands zou moeten kunnen schrijven. Spreken en schrijven zijn toch dingen die we tot onze dagelijkse routine rekenen? Volgens het officiële cijfer zijn er in Nederland 1,3 miljoen laaggeletterden: die kunnen dus helemaal niet lezen en schrijven. Voeg er een paar miljoen mensen aan toe die er vreselijke moeite mee hebben.

En dan wordt er van mensen die niet correct kunnen spellen, óók nog gezegd dat ze „slecht in taal” zijn. Daarmee hebben we van de spelling een maatschappelijke strop gemaakt. Op tal van momenten moeten mensen laten zien dat ze correct kunnen schrijven, willen ze vooruit komen, voor hun examen slagen, etc.

Degenen die anderen hierop beoordelen, zouden hun eerste steen niet mogen werpen. Vrijwel iedereen maakt d/t-fouten – en de taalgeleerden weten trouwens ook waarom we dat doen. Maar de hele gedachtengang dat spelling taal zou zijn en dat je eenvoudig zou kunnen toetsen of iemand het Nederlands goed beheerst, berust op het misverstand dat taal – anders dan techniek, muziek, kleding – in principe onveranderlijk is en dat in grote lijnen ook moet zijn.

Lees Couperus om te beseffen hoezeer én de woordenschat én de woordvormen én de zinsbouw binnen een eeuw zijn veranderd. En luister goed naar jezelf om te beseffen dat je vandaag niet altijd meer precies hetzelfde zegt en met bepaalde woorden of uitdrukkingen bedoelt als gisteren; of dat je al naargelang de plaats, het tijdstip en het gezelschap andere dingen anders zegt. De taal kan die voortdurende en veelkoppige variatie gemakkelijk aan, alsof ze ervoor gemaakt is. De taal is ook helemaal geen doel op zichzelf, hoe zeer woordenboekenmakers en krantenredacteuren dat misschien willen.

Kinderen moeten leren dat ze taal naar hartelust kunnen gebruiken voor hun eigen communicatiedoelen en dat iedereen om hen heen dat ook doet. Soms zeggen we zelfs iets op zo’n manier dat anderen het lekker niet begrijpen. Of we spelen met taal. Zo zouden we ook met de spelling moeten mogen spelen. Vier eeuwen geleden konden we één woord op verschillende manieren spellen. Van misverstanden is mij niets bekend. Toen kwam de Renaissance met haar systeemdwang, zelfbenoemde taalgeleerden maakten regels en het volk maakte fouten. Laten we daar eens mee ophouden en met de taal doen waar die voor bedoeld is: straffeloos communiceren. En er in vrijheid mee spelen, erom lachen en erin dichten en zingen.

    • Felix van de Laar