Nu traint ze weer echt hard

Talent Sharon van Rouwendaal won brons bij de EK kortebaan. Haar geheim? Ze traint weer in Frankrijk.

De twintigjarige Sharon van Rouwendaal bij de EK kortebaan in het Deense Herning, waar ze afgelopen weekend brons won op de 800 meter vrije slag. Foto ANP

Toen Sharon van Rouwendaal vorige week met de Nederlandse zwemploeg naar Denemarken was gevlogen, maakten haar collega’s het stramme lijf even los met een korte, ontspannen warming-up in het zwembad van Herning voor de EK kortbaan. Zelf zwom ze in een moordend tempo een aantal sets van in totaal 1.200 meter. „Ik moet even beuken na zo’n vliegreis, om los te komen.”

Eén warming-up, twee compleet verschillende zwemculturen. Na vier jaar Eindhoven keerde toptalent Van Rouwendaal (20) afgelopen voorjaar terug naar Zuid-Frankrijk, waar ze als achtjarige haar carrière was begonnen. Van het hightech zwemlaboratorium Eindhoven naar een spartaans – maar verwarmd – buitenbad in Narbonne, waar het kan vriezen tijdens de training, zoals vorige week. En waar een ouderwetse stopwatch het enige technische hulpmiddel is.

Teleurstellende jaren

Maar de overstap was hard nodig voor Van Rouwendaal, die na haar bronzen WK-medaille in Shanghai (2011) in de vergetelheid raakte. De Spelen in Londen (2012) werden een teleurstelling, en toen ze dit jaar de WK in Barcelona miste was de maat vol. In sprintersland Nederland, ontdekte ze, wordt voor zwemmers met haar ambitie onvoldoende hard getraind. „Ik zwom in Eindhoven te weinig kilometers, en in een te laag tempo”, zegt ze in Herning, waar ze afgelopen vrijdag bij de EK kortebaan brons haalde op de 800 meter vrije slag. „De schema’s worden vooral op Ranomi gebaseerd, maar voor de langere afstanden is het te weinig.”

En dat is de specialiteit van Van Rouwendaal, van 200 meter rugslag tot 800 en 1.500 meter vrij. „In mijn races had ik niet meer het eindschot van vroeger, die extra power. Voor mij was duidelijk dat ik te weinig fysieke inhoud had. Ik wilde harder trainen. De trainers zeiden dat het in mijn hoofd zat. Ik kreeg op het einde geen vertrouwen meer van hen.”

Van Rouwendaal begrijpt het wel, de focus in Eindhoven op de sprint – vooral op Kromowidjojo. „Ranomi was toch het belangrijkste. Ik denk dat dat bij een coach automatisch gaat, als je één heel goede zwemmer hebt.”

Toch was haar terugkeer naar Narbonne opmerkelijk. Als kind had ze zich daar ontwikkeld tot één van de grootste talenten van Frankrijk, waar haar ouders zich destijds hadden gevestigd. In de Franse media werd ze op haar veertiende al de cannibale des bassins genoemd, vanwege haar vele titels. Ze werd vergeleken met Laure Manaudou.

Maar een zwemparadijs was het allerminst, Narbonne: het loodzware regime van haar toenmalige coach Alexis Pannier bracht haar weliswaar succes, Van Rouwendaal was altijd moe, had altijd spierpijn, maar moest blijven zwemmen – en tegenstribbelen werd niet geduld. Het was in 2009 haar voornaamste reden uit te wijken naar zwemoase Eindhoven.

Uitgerust

Maar haar huidige coach in Narbonne, de excentrieke Philippe Lucas, is niet te vergelijken met Pannier, zegt Van Rouwendaal. „Hij denkt meer na over trainingsschema’s en vraagt vaak hoe het met me gaat, of ik uitgerust ben”, zegt ze over Lucas, die wereldsterren als Manaudou, Therese Alshammar en Federica Pellegrini begeleidde.

De wekelijkse trainingskilometers illustreren het verschil. Als tiener zwom ze destijds onder Pannier zo’n 95 kilometer, verdeeld over elf trainingen. In Eindhoven kwam ze uit op 45 kilometer, in tien trainingen. Nu zit ze bij Lucas weer op zo’n tachtig kilometer per week. „Ik zwem niet alleen meer, maar ook harder. In Nederland hoef je nooit heel hard te zwemmen in een training. In Frankrijk zwem je heel vaak ‘max’ – tot twintig sets van honderd meter.”

En haar aanpak werkt. Bij de open Franse kampioenschappen in Dijon, een week voor de EK in Herning, was ze verbaasd over haar eigen lichaam. „Ik zwom de finale van de 100 meter rug, daarna de 200 vlinder. Ik klim uit het water, helemaal niet moe, niks verzuurd.”

Op de slotdag in Dijon maakte ze het nog bonter, met finales op de 400 en 1.500 meter, binnen twintig minuten. „Ik dacht vooraf: dat overleef ik niet. Maar ik zwom twee Nederlandse records en was nog steeds fris. Nu merk ik dat ik train”, zegt ze met een grijns.

Lange afstanden hier niet populair

In Dijon bleek ook pijnlijk hoezeer de lange afstanden in Nederland uit de gratie zijn geraakt. Haar record op de 1.500 meter was een halve minuut sneller dan het oude van Jolande van der Meer – uit 1984.

Toch betreurt Van Rouwendaal het dat de sprintcultuur in Nederland zo overheersend is geworden. „Ik ben de enige vrouw die een 1.500 meter onder de zeventien minuten zwemt. Dan merk je dat de rest niet genoeg traint. Dat is het nadeel van de sprintcultuur. Iedereen wil naar de sprint: dan hoef je niet te veel te trainen, je kunt naar de estafette, dan haal je makkelijker een medaille. Ik wil juist laten zien dat ik er ben op de zware nummers. Dat wil ik terugbrengen in Nederland.”

In Frankrijk voelt ze het verschil in zwemcultuur, elke dag. Ze geniet van het zwemmen in de frisse lucht en in de eenvoud van de trainingen. Werd ze in Eindhoven omringd door allerhande technische apparatuur, onderwatercamera’s en wetenschappers langs de badrand, Philippe Lucas doet alles uit het hoofd. Onder Verhaeren kreeg Van Rouwendaal een papier waarop stond wat ze moest zwemmen. „Philippe kijkt naar het inzwemmen en zegt dan: dit gaan we doen. Op zijn intuïtie. Hij houdt niks bij op papier. Maar aan het eind van de week weet hij precies dat ik 82 kilometer heb gezwommen.”

    • Rob Schoof