In haar liedjes is Polderman virtuoos en vindingrijk

Vaak is ze chaotisch, zingt Katinka Polderman. Maar in haar liedjes staat alles juist heel strak in het gelid: „In liedjes is het nooit een teringbende, ben ik nooit een punt of komma kwijt”. En zo is het ook in haar nieuwe programma – misschien nog wel meer dan in haar drie vorige soli. Van samenhang is ditmaal nauwelijks sprake. De liefdesperikelen, die in het begin de toon zetten, verdwijnen allengs geheel buiten beeld. Polderman presenteert zich als knutselaar, scharrelt met minirekwisieten in een kijkdoosachtig minitheatertje dat tegelijk meer dan levensgroot wordt geprojecteerd op het achterdoek, en speelt met poppetjes de langdurige musicalparodie De rijdende rechter. Ook besteedt ze onnodig veel aandacht aan een platvloerse reactie op een vorig programma.

Opnieuw zingt Polderman echter liedjes op hoog light verse-niveau – virtuoos en vindingrijk – die volledig los kunnen staan van de rommelige context. Ze gaan bijvoorbeeld over de conceptuele productiviteit van Ai Weiwei. Of over het stoelgangbevorderend effect dat Nick & Simon op haar hebben, waarbij het woord dwangrijm prachtig rijmt op behanglijm. Maar ook heeft ze bij voorbaat haar eigen recensie al geschreven: „Mijn spanningsboog, dat is een rechte lijn”.

Henk van Gelder