Een productief schrijver in alle genres

Jacq Vogelaar (1944-2013)

Zijn experimentele proza was moeilijk, als criticus voor De Groene wees hij de weg.

Jacq Vogelaar, 2006 Foto Leo van Velzen

In 1965 maakte hij zijn vliegende start met een dubbel debuut als dichter en verhalenschrijver. Jacq Firrmin Vogelaar, voor de burgerlijke stand Frans Broers. Het werk werd goed ontvangen, maar een makkelijke schrijver was hij niet. Met zijn experimentele proza van de jaren zeventig, zoals Raadsels van het rund (1978) en Alle vlees (1980), heeft hij het voor langere tijd verkorven, niet eens zozeer bij de critici als bij een groter publiek.

Zijn productiviteit werd er niet door beïnvloed. Eén leven was niet genoeg voor Vogelaar. De schrijver, 9 december overleden op 69-jarige leeftijd, heeft gewerkt voor drie. Als hij alleen de criticus was geweest die hij vanaf 1971 bij De Groene was, had dat voor een gewoner mens al als een eerzame betrekking kunnen gelden. Een jaar of veertig hield Vogelaar de binnen- en de buitenlandse literatuur, vooral Franse en Duitse, bij. Ook vertaalde hij tientallen boeken. Het tijdschrift in boekvorm Raster (1977-2009), waarvan hij het kloppend hart was, muntte uit in enthousiasmerende introducties tot schrijvers die anders verweg zouden zijn gebleven zoals Paul Valéry, Danilo Kis, Carlo Emilio Gadda. Vertalingen maakten naar Vogelaars overtuiging een integraal deel uit van onze literatuur.

In de literaire stofwisseling die Vogelaars leven was, was Raster geen bijzaak, maar een belangrijk orgaan. Hij maakte geen principieel onderscheid tussen lezen, vertalen en schrijven. Lezen wordt vanzelf terugschrijven of doorschrijven. De twee lijnen, verhalend proza en poëzie, zet hij in het verdere werk voort, met onderweg onder meer een spannend kinderboek, Het geheim van de bolhoeden (1986); de roman De dood als meisje van acht (1991) die de Bordewijkprijs kreeg; de dichtbundel Inktvraat (1998); en zo voort tot en met Taats onder mannen (2001).

Zijn laatste boek, Je zit niet alleen in je vel (2010), biedt een vlootschouw van fictieve genres die hem fascineerden zoals meneertjes, Robinsons en dictators. Het vertoont de essayistische inslag die al zijn werk kenmerkt. Dat hij een essayist was in hart en nieren bewijst zijn vuistdikke, verbluffend belezen, emotionerende boek Over kampliteratuur (2006). Een werk waarvoor hij de P.C. Hooftprijs had moeten krijgen. Het is gebleven bij de opmaat daartoe, de Constantijn Huygens in 2006.

    • Nicolaas Matsier