Aznavour is behalve muzikant ook dichter

Levende legende Charles Aznavour tijdens zijn optreden zondag in de Heineken Music Hall Foto Andreas Terlaak

Charles Aznavour komt op en de Heineken Music Hall komt in de benen. Aznavour is niet alleen een ster, hij is een levende legende, dat beseft iedereen die hier is, vandaar de staande ovatie nog voor hij een noot heeft gezongen.

We gaan zitten, hij blijft staan. Een kleine figuur in het zwart.

Hij zet in: Le temps.

En hij houdt er weer mee op.

Zijn oortje doet het niet, legt hij uit. En het is maar het beste om dat meteen te verhelpen, want zo wordt het niks. Terwijl een technicus aan hem frutselt, improviseert Aznavour een praatje in zijn onweerstaanbare Engels met de Franse slag. Toen hij net begon, vonden de critici zijn stem maar saai, en hij waarschuwt maar even, die stem is sindsdien niet veranderd.

Het euvel is verholpen. We horen hem even hummen (Aznavour humt!). Ja, het zit goed: „I ’ave my voice back”.

Opnieuw: Le temps. Een van zijn mooiste, een zachte dreun over de tijd die gedoemd is om grote gebeurtenissen te verkruimelen tot kleine herinneringen. Die op hun beurt gedoemd zullen zijn voorgoed te verdwijnen als degene die ze nog weet gestorven zal zijn.

Hij kan het nog altijd, bewogen zingen. Met die karakteristieke kraak waarmee hij een enkel woord vertraagt en benadrukt. Glijdt hij naar de hogere noten dan maakt hij ze ijl, hij spant de zinnen aan tot ze bijna vlak worden. Precies daar prikt hij de bedwongen emotie. En hij blijft de meester van het zingzeggen en het zegzingen.

Je beseft dat Aznavour behalve muzikant ook een dichter is, voor wie de woorden die hij schreef net zo belangrijk zijn als de klanken die hij componeerde.

Ho. Nu werkt er een weer van de ‘teleprompters’ niet, Aznavours elektronische spiekborden. „Ik ben negentig, op mijn leeftijd wil het geheugen niet meer zo”, grijnst hij. En „I never talk so much on stage” – en wij hebben mazzel, want hij maakt er wat van. Het probleem wordt niet opgelost, waarop hij de falende teleprompters als running gag misbruikt. „Och, als ik het niet meer weet zing ik gewoon lalala.”

Hij gebaart naar zijn ensemble, onder wie vooral de grandioze pianist opvalt. „Okay. Allons-y.” En zingt zonder ophouden anderhalf uur lang een keuze uit al die beroemde chansons.

Bij Mon ami, mon Judas komt hij los. Het is een kwaad lied, over pluimstrijkers en profiteurs. De muziek grijpt hij aan om de betekenis van de woorden door te laten dringen. De ingewikkelde melodielijn neemt hij moeiteloos, de lage noten past hij aan („Gelukkig ben ik zelf de componist, anders kreeg ik moeilijkheden”).

Hier staat een pezige oude man, maar beslist geen bejaarde. Fragiel? Hij niet. Soms trilt zijn hand, dan maakt hij een vuist.

Niet alleen liegt Aznavour vrolijk zijn leeftijd omhoog – hij moet nog negentig worden – hij zet zijn ouderdom in voor zijn show. De teksten verschuiven van betekenis, de muziek grijpt dieper.

Hij zingt Non je n’ai rien oublié, en zet het scherper aan dan ik het ken, het is nu bijna bitter. Klopt. Niks kunnen vergeten en negentig zijn – dat is hard. Mes amis, mes amours, mes emmerdes doet hij juist eens zo uitgelaten. Wat kan hem ’t schelen, hij houdt geen enkele schijn meer op.

Dance in the old fashioned way brengt hij in het Frans: „Dansons joue contre jou”, het klinkt nauwelijks melancholiek meer, ook niet als hij, zoals altijd bij dit nummer, in zijn eigen arm danst, alleen met zijn zogenaamde tweeën. Hij maakt er genot van, het genot van de sympathieke oude charmeur. Het Italiaanse Com’è triste Venezia (se non si ama piu) klinkt daarentegen wanhopig, want Venetië zal altijd triest blijven nu de kans van beminnen voorgoed verkeken lijkt. En J’avais 20 ans wordt onverdraaglijk aandoenlijk. De twintigjarige man zit in die van negentig verstopt, maar dat weet hij alleen zelf nog.

Hij snuit zijn neus, hij is verkouden, zegt hij. Maar „I am not dead, that is the most important”. En barst los in een spetterende versie van van La Bohème.

Aznavour schuifelt weg. Nu zie ik toch dat hij oud is.

Hij draait zich om. Recht zijn schouders. Dendert terug. Het was een grapje.

De boef.