Zo’n onttoverde, rationele wereld roept verzet op

Wetenschap heeft de wereld onttoverd maar maakte geen einde aan de behoefte tot dromen, fantaseren, interpreteren. Ondanks alles wil Icarus het vliegen blijven proberen, vindt Bas Heijne.

Onlangs beleefde ik een bijzonder moment - ik zag de val van Icarus eindelijk in het echt. Dat beroemde schilderij hangt in het Koninklijk Museum voor de Schone Kunsten te Brussel en wordt ook wel, veelzeggend, Landschap met de val van Icarus genoemd. Breughel beeldt het tragische slot van de mythe uit: Icarus is met zijn zelfgebouwde vleugels te dicht bij de zon gekomen, zodat de was waarmee zijn vleugels vast zaten is gaan smelten – met fataal gevolg. Rechts op het doek zien we zijn hulpeloos spartelende beentjes in het water van een rustige zee. In het geheel is dat zo achteloos, zo terloops neergezet, dat veel mensen er aanvankelijk overheen kijken.

In de Griekse mythologie is Icarus een symbool voor de menselijke hoogmoed. Zijn vader, uitvinder Daedalus, ontwierp vleugels voor de jongen zodat hij kon ontsnappen aan de gevangenschap van koning Minos op Kreta. Maar lijfsbehoud en vrijheid waren voor Icarus niet genoeg, hij wilde zichzelf overstijgen en steeds hoger vliegen. Dat kostte hem zijn leven.

De geest van de mens is grenzeloos, zegt de mythe, maar onze beweegruimte in dit leven is angstwekkend begrensd; wanneer we die grenzen niet langer erkennen, roepen we het onheil over onszelf af.

Zoals andere mythologische verhalen, kun je ook de val van Icarus op verschillende manieren opvatten. Wanneer je die door een meer romantische bril bekijkt, kun je er bijna het tegenovergestelde in zien – dan wordt de figuur van Icarus een even tragisch als heroïsch voorbeeld van de mens die zich weigert neer te leggen bij zijn natuurlijke beperkingen, de mens die vastberaden is zijn grenzen te verleggen en niet tevreden is voordat hij het allerhoogste, in dit geval de zon, bereikt heeft.

In die interpretatie staat Icarus voor het niet te onderdrukken opwaartse streven van de mens. Deze mens wil vliegen en hij zal vliegen, ongeacht hoeveel er onderweg naar dat doel zullen neerstorten.

Wat het schilderij van Breughel de Oude zo eigenaardig maakt, is dat het geen van beide interpretaties van de Icarus-mythe volgt. Breughel lijkt geen partij te kiezen. Het tafereel is geen opgeheven vingertje, bedoeld voor de hoogmoedige mens – de neergestorte Icarus lijkt helemaal geen opzien te baren, letterlijk niemand kijkt er van op. De herder staart peinzend naar de lucht en boer ploegt onverstoorbaar voort. Het schip dat vlak bij de neergestorte jongen vaart, verandert niet van koers.

Maar tegelijk is het ook onmogelijk om Icarus in dit schilderij als een heldhaftige figuur te zien, de neerstortende jongen te zien als een romantische, tragische held die de mens tot voorbeeld dient in zijn streven zichzelf te overtreffen, zijn eigen grenzen te overstijgen. Er is bar weinig heroïsch aan die twee spartelende beentjes.

De onthechting die uit het schilderij van Breughel spreekt, laat wat mij betreft zien dat de maker zich afzijdig houdt – de figuur van Icarus is voor hem geen symbool voor de hoogmoedige mens die zijn eigen grenzen niet kent, maar ook geen heroïsche wegbereider van de menselijke vooruitgang. Heel het paneel ademt afstand en berusting uit. De mens, lijkt Breughel te willen laten zien, zal altijd geneigd zijn naar de zon te willen vliegen – en hij zal altijd ook weer neerstorten. Zo is de mens, hij zal zich nooit bij zijn beperkingen neerleggen, het is zoals het is, het heeft geen zin ertegen te waarschuwen – en je hoeft het ook niet te verheerlijken.

Dat heeft een reden, denk ik. In de wereld van Breughel maakt de mens nog deel uit van een bezielde wereld. Al het menselijk gewoel hier op aarde is ondergeschikt aan de wil van God. De merkwaardige rust die van het schilderij uitgaat, duidt op een sterk en vanzelfsprekend besef van een natuurlijke orde.

Voor ons is die illusie van een alles bestierende godheid allang geleden teniet gedaan. Sinds de tijd waarin Breughel zijn landschap met de val van Icarus schilderde, heeft het lange proces plaatsgevonden dat door de Duitse socioloog Max Weber ‘de onttovering van de wereld’ werd genoemd.

Weber muntte zijn begrip in zijn lezing Wissenschaft als Beruf (1919), wat zowel wetenschap als beroep als wetenschap als roeping kan betekenen. Daarin beschrijft hij het lange, duizenden jaren durende, ‘intellectualiseringsproces’ dat de mens vanaf de vroegste tijden meemaakt – van een wereld die geheel en al beheerst wordt door magisch denken, naar een wereld die zuiver rationeel wil zijn, een wereld waarin praktische problemen niet door gebeden maar door middel van technologie worden opgelost.

„Dit nu betekent de onttovering van de wereld”, aldus Weber. „We hoeven niet meer, zoals de primitieve mens voor wie wel zulke machten bestaan, naar magische middelen te grijpen om de geesten te bezweren of gunstig te stemmen. Dat doen technische middelen en berekening voor ons.”

Weber voorziet één groot probleem in dat almaar groter wordende geloof in de kracht van de technologie. Wie zijn blik op de wereld zuiver laat bepalen door berekening en een vertrouwen dat alles in het leven beheerst kan worden, accepteert welbeschouwd geen door de natuur vastgestelde grenzen meer. Menselijke beperkingen zijn er om te overstijgen, een rationeel mens wordt geacht zijn lot in eigen handen te nemen. Daardoor komt het idee van een natuurlijke orde, zoals dat nog verbeeld wordt in het vredige, onthechte schilderij van Breughel, onder druk te staan.

Er is nog een ander lastig aspect aan dat proces van onttovering, dat door Weber zelf over het hoofd lijkt te worden gezien. Ook de mens zelf is onttoverd. De mens is geen mythisch wezen, de mens is geen religieus wezen, de mens is een biologisch wezen – alles wat hij doet of denkt, is het resultaat van natuurlijke processen. Het idee van een menselijke ziel, waarin zijn onvervreemdbare kern zich zou ophouden, mist iedere wetenschappelijke grond. Zelfs ons idee van een persoonlijke identiteit, van een ik, blijkt bij nadere beschouwing een optische illusie. We zijn, alle bewijs wijst erop, niet meer dan een verzameling biologische en neurologische processen, voortdurend aan verandering onderhevig – en uiteindelijk gedoemd om te vergaan. Alleen: iets in ons brein verschaft ons de illusie dat we mensen uit één stuk zijn, iets in onze hersenen zorgt ervoor dat we onszelf als bezielde wezens blijven zien, die, om het simpel uit te drukken, boven de materie staan. Het is niet zo, maar we zijn evolutionair uitgerust te denken dat het wel zo is.

Voorheen, stelt Weber, had de wetenschap een doel. De wetenschap zou ons naar de waarheid leiden of juist rechtstreeks naar God, hij zou in ieder geval de zin van het universum aan ons openbaren. Die gedachte, zegt Weber, heeft de moderne mens opgegeven. Even verder citeert hij Tolstoj, die stelde dat de wetenschap in essentie zinloos is. Waarom? „Ze is zinloos omdat ze op de enige vraag die voor ons van belang is, namelijk ‘Wat moeten wij doen? Hoe moeten wij leven?’ geen antwoord geeft.”

De wetenschap kan het leven van een doodzieke patiënt verlengen, maar kan geen antwoord geven op de vraag waarom zijn leven moet worden gerekt.

Dat besef veroorzaakt een diep onbehagen, zeker in een wereld waarin de wetenschap namens de rede spreekt. Het is de angst voor een wereld waarin alles om het even is, waarin alles zonder betekenis dreigt te worden. Het is een wereld waarin berekening de enige vorm van zingeving dreigt te worden.

In haar even vermakelijke als boeiende boek Mijn supergenen, dat gaat over de opkomst van de commerciële genetica, stelt de Deense neurowetenschapper Lone Frank dat de grenzen van de nieuwe technologie alleen „sociologisch” zullen worden vastgesteld.

Maar hoe? Uit het boek van Frank zelf blijkt al hoe weinig rationeel mensen zijn. Ze geeft een veelzeggend voorbeeld over Amerika’s beroemdste talkshowhost Oprah Winfrey. Via haar DNA kwam Oprah erachter dat ze via een lange keten van generaties afkomstig was uit een Zuid-Afrikaanse stam. Die ontdekking deed bij haar gevoelens van diepe verwantschap ontwaken en ze financierde een school voor kansarme meisjes in de regio, om eer te bewijzen aan haar genetische voorouders, zullen we maar zeggen. Later bleek er een fout te zijn gemaakt, en nieuw onderzoek wees uit dat ze een genetisch linkje heeft met een volk dat huist in wat nu Liberia is. „Het valt nog te bezien”, merkt Lone Frank droog op, „in hoeverre de schoolmeisjes in Liberia hiervan zullen profiteren”.

Mij lijkt het dan ook onzinnig, om zoals de natuurwetenschapper en filosoof Daniel Dennett te denken dat de mens er ooit een zuiver op wetenschappelijke feiten gebaseerd wereldbeeld op na zal houden. De scheiding die hij, en met hem zovele anderen, aanbrengt tussen enerzijds een wetenschappelijke, rationele – en anderzijds een irrationele, romantisch of religieus getinte kijk op mens en wereld, lijkt me ten ene male fictief en onhoudbaar.

Je kunt wetenschappelijk vaststellen dat alles wat door de mens gebruikt wordt om zijn bestaan op deze planeet zin te geven te reduceren valt tot een activiteit in de hersenen – wat ik ook zeker geloof – maar daarmee heb je die mechanismen nog niet gedeactiveerd. Het is al vaak vastgesteld dat de neiging tot geloof bij de mens deel uitmaakt van het evolutionaire proces – en dat wanneer men niet langer in een god gelooft, dat bepaald niet betekent dat men zijn religieuze neigingen kwijt is. Ik wil hier zelfs beweren dat iedere menselijke overtuiging, zelfs de meest seculiere en genuanceerde, op een gegeven moment religieuze trekken kan krijgen. Ook het meest ongrijpbare fenomeen van allemaal, de liefde, valt ten slotte te verklaren vanuit de wetenschap als een neurologisch en chemisch proces. En toch zullen maar weinig mensen geneigd zijn het zo op te vatten en hun leven met die kennis in te richten.

Je kunt zeggen dat met de door Weber vastgestelde onttovering van de wereld ook de menselijke verbeelding steeds meer naar de marge van onze cultuur is gedrongen. Wanneer men niet langer in staat is of zich geroepen voelt om de wereld te interpreteren, of om betekenis te geven, blijft er slechts één enkele vorm van zingeving over: calculatie. De mens is dan louter een optel- en aftreksom geworden, de homo economicus.

Dat proces van verschraling van betekenis is niet van vandaag of gisteren. De grote historicus Johan Huizinga zag historisch besef onlosmakelijk verbonden met de menselijke verbeelding – de geschiedenis mocht in zijn tijd dan allang geen verhaal meer zijn, ze was tot dan toe wel altijd vormgegeven, creatief verbeeld. Het lijkt erop, stelt Huizinga in zijn opstel ‘Vormverandering der geschiedenis’ (1941), dat hij aan het einde van zijn leven schreef, dat juist dat collectieve, beeldende vermogen afneemt: „De moderne wereld dringt nu eenmaal het denken steeds meer in den hoek der quantitatieve waardeering van alle verhoudingen, slechts uitdrukbaar in het getal. In deze verschuiving van de wijze van denken liggen groote gevaren, niet in de laatste plaats voor het geestelijk product dat historie heet. In het getal bezwijkt het verhaal en wordt geen beeld geboren.”

In dat laatste zinnetje over het wegvallen van het verhaal in de geschiedschrijving vat Huizinga het gehele moderne dilemma samen. Je kunt zeggen dat we hebben gekozen voor het getal – enerzijds omdat het getal, de berekening, de meting het meest overeenkomt met ons ‘onttoverde’, door de wetenschap geïnspireerde wereldbeeld – maar ook omdat beelden als het gevolg van collectieve inbeelding ons in de twintigste eeuw zoveel verschrikkingen hebben bezorgd.

De schijnneutraliteit van het getal ontkent de behoefte aan interpretatie van de feiten – de economie geeft net zo min antwoord op de prangende vraag van Tolstoj als de rest van de wetenschap. Wie naar de hedendaagse populistische bewegingen kijkt, in Europa, in Noord- en Zuid-Amerika, in delen van Azië kan er gemakkelijk een terugkeer van de romantiek in de politiek in zien – een revolte tegen een al te prozaïsch, al te rationeel wereldbeeld. De nieuwe roep om eigenheid kun je opvatten als een roep om betekenis. Niet voor niets gaat hij gepaard met begrippen die tot het romantisch repertoire behoren: opstand, gemeenschap, revolutie, vlag, natie, trots.

Het manifest van de ultrarechtse massamoordenaar Anders Breivik bevatte naast technische uiteenzettingen over het fabriceren van wapens en quasi-sociologische uiteenzettingen over de funeste invloed van de islam ook lange meditaties over een heldhaftig broederschap van ridders.

De radicale taal die tegenwoordig op het internet gesproken wordt, is evengoed doorspekt met romantische fantasieën over strijders die zich opwerpen als de laatste verdedigers van de westerse of juist de islamitische beschaving.

Het is een taal die niet alleen ondergronds wordt gesproken. Ga naar de dichtstbijzijnde bioscoop en tien tegen één dat u een film kunt zien over een magische wereld – bevolkt door monsters en tovenaars, schurken en helden. In die film worden mensen vervloekt, de wereld bedreigd door het kwaad, magische spreuken uitgesproken, draken verslagen, gebeden verhoord. Sprookjes zijn allang niet meer alleen voor kinderen. Ze voorzien ook in een behoefte bij volwassenen.

De update die het genre van de stripverfilming heeft ondergaan, zoals de recente Batman-trilogie van Christopher Nolan, komt niet uit de lucht vallen – hij komt voort uit een verlangen naar heroïek dat tegelijk realistisch is, waardoor de homo economicus, die in toenemende mate uit getallen bestaat, zich weer een spiritueel wezen kan voelen – een mens die tegelijk meer is dan een mens.

Wie denkt de opstand tegen Europa te kunnen bezweren door te wijzen op de economische voordelen die de Unie ons land brengt, heeft er vrees ik niet veel van begrepen. Het intellectualiseringsproces dat door Weber is beschreven is hardhandig tegen zijn eigen begrenzing op gelopen – die grens heet de mens. Die mens wil dromen en fantaseren, interpreteren, betekenis geven, zin ontdekken. Als het niet goedschiks kan, dan kwaadschiks.

In zijn essay The Case against Perfection. Ethics in the Age of Genetic Engineering probeert de populaire Harvard-professor Michael Sandel een ethiek te vinden ten opzichte van de nieuwe maakbaarheid van de mens. Hij ziet het hele debat over gentechnologie in morele termen. Naast de vraag ‘hoe ver kunnen we gaan?’ moet de vraag ‘hoe ver willen we gaan?’ gesteld worden. Daarmee zijn we terug bij de mythe van Icarus. Sandel ziet zelf ook in hoe verleidelijk de droom van de totale maakbaarheid van de wereld en dus ook van de mens is. Hij schrijft: „Er zit iets aanlokkelijks, zelfs iets meeslepends, aan een menselijk beeld van menselijke vrijheid die niet door de gegeven aard van het leven aan banden is gelegd. Wellicht was die visie zelfs zo verleidelijk dat ze een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de revolutie in de genetica”.

Hier zien we de Icarus als hemelbestormer, Icarus als grensverleggende held, zoals die is afgebeeld in een schilderij van Rubens. Maar, zegt Sandel, „we kunnen gentechnologie ook zien als de ultieme uitdrukking van ons streven onszelf boven de wereld te plaatsen, als meesters over onze natuur. Maar die opvatting van vrijheid is onjuist. Ze dreigt onze waardering voor het leven als een geschenk te ondermijnen. Het enige wat er dan nog overblijft om te respecteren is onze eigen wil.”

Ook hier zien we Icarus weer voor ons, maar nu in de gedaante van de hoogmoedige jongen die weigert welke grens dan ook te erkennen, met funeste gevolgen. Zijn verbeelding wordt inbeelding, een uiterst herkenbare en onuitroeibare menselijke eigenschap.

Het leven als een geschenk – het is gemakkelijk die notie af te doen als een fantasie, een product van de verbeelding – het is zuiver een geval van interpretatie, of zo u wil bewustzijn. Maar dat is precies waar het mij om gaat. Wanneer wij onszelf en de wereld niet als gegeven beschouwen, maar als iets wat ons is gegeven, kan het ons behoeden voor de waan van de maakbaarheid, zowel de maakbaarheid als wetenschappelijke droom en als romantische droom. Die notie dwingt onze interpretaties van onszelf en de wereld te toetsen op houdbaarheid. Ze dwingt tot het besef dat ons beeld van de wereld nooit helemaal samenvalt met de wereld zelf.

De mythe van Icarus blijkt dus springlevend, ook in een zogenaamd ‘onttoverde wereld’. En die mythe zal ook altijd twee gezichten blijven hebben – een gloeiend, heroïsch gezicht en een ernstig, vermanend gezicht. Het lijkt me goed dat dat zo is.