Zoeken naar comfort

Toef Jaeger grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

De journalist, anarchist en oneervol ontslagen KNIL-militair Alexander Cohen is onderschat. Zoiets moet Simon Carmiggelt gedacht hebben toen hij zes bewonderende ‘kronkels’ aan hem wijdde. Ze zijn nu verzameld in Carmiggelt over Cohen [1]. Liefdewerk, dat aangevuld is met een inleiding van Ronald Spoor. Carmiggelt bewonderde indertijd Cohens genadeloze meesterschap over de taal, die ook nu nog aanspreekt. Zo haalt hij Cohen aan wanneer deze een Duitse journalist typeert: ‘een reusachtig blonde officier, die op een gekookte pekelham leek’. En elders: ‘In zijn boeken is „een lastige man” aan het woord, ook zonder de opposanten principieel in de oppositie. Zijn vechtlust verlaat hem nooit, maar zijn humor evenmin.’

Liefdewerk is ook Lettergrepen, literaire notities van Piet de Moor [2] al staat in dit boekje de liefde voor het eigen werk centraal. De Moor presenteert zichzelf als ‘ceremoniemeester van zinnen die ik in de literaire canon heb ontmoet’. Het zijn allemaal kleine aanzetjes, ideetjes, mogelijkheden tot essays misschien. Vol liefde ook voor andermans werk, over Joseph Roth, Samuel Johnson, Imre Kertesz, Kafka en vele andere groten. Niet alle observaties zijn even verrassend maar zelfverzekerd is De Moor wel, wanneer hij in twee zinnen twee kunstvormen afserveert: ‘Wat een armzalig figuur slaan fotografie en film in vergelijking met de schilderkunst. Alleen in de schilderkunst leren we echt met de ogen van iemand anders kijken’.

Het is moeilijk om nog met liefde en verfijning te kijken naar de kleine dingen, betoogt Marli Huijer [3] in een nogal streng boek over leven in tijden van overvloed: Discipline.

Het zijn weer eens de jaren zestig die het gedaan hebben, de tijd waarin alles kon en alles moest mogen – terwijl we inmiddels weten dat lang niet alles kan. Huijer wil ons laten zien dat we veel plezier zouden kunnen beleven aan waarden die we afgevoerd meenden te hebben. Een stortvloed aan ziektes van onze tijd (van zesjescultuur tot verlokkingen) kan volgens Huijer bestreden worden met een gezonde dosis discipline.

Ze maakt korte metten met het primaat van de vrijheid, waarin ze ‘een grenzeloos behartigen van eigenbelang’ ziet. De oplossing? Huijer verwacht heil van apps, misschien wel vooral omdat die niet onder de indruk zullen zijn van die typisch Nederlandse omgangsvorm van de grote bek: ‘tegenover een app hoeven we ons niet te verantwoorden’, en zo kunnen we onze discipline uitbesteden, als we er zelf niet toe in staat zijn. Appjes als opvoeders? Misschien dat Huijer de verslaving aan mobiele technologie een tikkeltje overschat.

Wie in het geheel niet aan zelfoverschatting deed was Jean-Michel Frank – een volle neef van Otto Frank. Hij was nog maar net twintig toen zijn vader op 11 november 1915 zelfmoord pleegde door uit een raam te stappen, nadat hij twee zoons had verloren. In een half jaar tijd was Jean-Michel Frank zijn twee oudere broers kwijtgeraakt in een loopgraaf, en nu dan zijn vader aan een sprong uit het raam. Zijn moeder werd dermate depressief dat ze per direct werd opgenomen en de rest van haar leven een psychiatrisch patiënt bleef. Maarten van Buuren [4] schetst in zijn biografische essay Een ruimte voor de ziel het treurige leven van deze Jean-Michel Frank. Een man die behalve binnenhuisarchitect ook met veel kunstenaars omging die het modernisme bepaalden. Hoe groot het trauma van 1915 was, zou zich pas later openbaren. Niet geheel toevallig op het moment dat Jean-Michel het toppunt van zijn roem had bereikt: hij mag het appartement van Rockefeller inrichten.

Jean-Michel Frank had vastomlijnde ideeën over comfort binnenshuis. Dat moest niet zozeer gevonden worden in het op de juiste plek zetten van meubels (een bed in de slaapkamer), maar in de geest. Of, zoals Van Buuren het Jean-Michel Frank laat zeggen: ‘Het eerste doel van een woning is om een ruimte te scheppen waarin onze geest zich kan onthechten en te ruste leggen als een hond die in zijn mand gaat liggen. Dat versta ik onder comfort.’ Maar comfort in de geest is voor de binnenhuisarchitect zelf onvindbaar. De zelfmoord van Jean-Michel Frank kwam voor de buitenwereld als een verrassing: hij was succesvol en als Jood op tijd naar de VS gevlucht. Men ging ervan uit dat ook hier sprake was van een sprong uit het raam, maar Van Buuren ontdekt dat het anders zit. De man die drugs gebruikte om het innerlijk leed te verzachten, gebruikt hetzelfde middel voor zijn zorgvuldig geplande dood.