Van Merwijks genie gloeit fel in zijn liedjes

Cabaretier Van Merwijk is vlijmscherp en tegendraads in zijn nieuwe programma.

„Kees Torn is gestopt, Maarten van Roozendaal is er niet meer en straks ben ik ook weg. Ik benijd jullie niet”, zegt Jeroen van Merwijk tegen zijn publiek. Dit is zijn laatste programma, bezweert de 58-jarige. Als dat waar is, dan sluit hij af met een geïnspireerd, geslepen programma, een eresaluut aan zijn glansrijke 25-jarige carrière.

Zijn conferences zijn ogenschijnlijk luchthartig, maar doortrokken van ernst en venijn. Badinerend oefent hij zich in grootspraak over zijn leven, gedragen door de terugkerende act waarin hij zijn eigenwijze inzichten declameert uit het apocriefe bijbelboek van zijn naam, Jheronimus. De politici en alle andere dommerds en hebzuchtigen krijgen ervan langs. Zijn publiek hemelt hij op, en hij beledigt het. Want dat is het mooie van stoppen: je hoeft geen vrienden meer te maken.

Zijn genie gloeit het felst in de liedjes. Geen cabaretier schreef zo veel steengoede kleinkunstnummers als Van Merwijk. Daarvan telt Er zijn nog kaarten er veel. Melodisch evoceert hij protest, chagrijn en liefde: voor taal, wellevendheid, kunst.

Vlijmscherp en tegendraads is hij in het lied met het refrein „De banken dat zijn wij”. Oorstrelend en doordacht in het nummer over makkelijke meningen. En onsentimenteel, maar verduiveld ontroerend in de kleine blues voor overleden vriend Van Roozendaal: „Ik onderkoeld en jij met vuur. Ik bourgeoisie, jij subcultuur.”

Op zijn licht snerpende toon zingt de oude meester de lof van de underdog en van weldenkend leven. Er zijn nog kaarten maakt blij als een kind – en dat kind roept: „Nog een keer, nog een keer!”

Ron Rijghard

    • Ron Rijghard