Taal zit vol gaten

Taal werkt optimaal binnen kringen van gelijkgestemden, schrijft neerlandicus Marc van Oostendorp in zijn nieuwste boek. Wat iedereen weet, wordt nooit verteld.

Taal is niet bedoeld om tv-programma's te maken, of om boeken te schrijven, of sonnetten, of tweets. Het is een voordurende bron van misverstanden, omdat impliciete nuances niet door iedereen begrepen worden. Dat schrijft Marc van Oostendorp in zijn nieuwste boek, Heb je nou je zin!, dat over zinnen en zinsbouw gaat. Daarin verwondert hij zich over hoe subtiel de letterlijke inhoud van een zin zich verhoudt tot wat er eigenlijk bedoeld wordt. De zinnen die wij nu gebruiken, hebben allerlei eigenaardigheden die erop wijzen dat taal vooral binnen een kleine hechte groep goed functioneert.

In iedere zin zit verzwegen informatie. Neem bijvoorbeeld de zin ‘Het lukte Jopie om zijn examen te halen.’ De goede verstaander concludeert uit die zin dat het voor Jopie een hele toer was om dat examen te halen. Maar dat het een hele toer was, wordt in de zin nergens letterlijk gezegd.

Van Oostendorp: „Luisteraars en lezers zijn de hele tijd bezig om extra betekenissen uit een zin te halen. Taal is daar in wezen op gebaseerd. Dat er veel impliciet kan blijven, en dat je in principe nooit meer zegt dan nodig is. Dat betekent dat iedere zin, hoe simpel ook, heel veel achtergrondkennis vereist. En dat kan soms mis gaan.

„Ik denk dat mensen daar bijvoorbeeld tegenaan lopen als ze gaan twitteren. Ironie blijkt dan opeens helemaal niet meer te werken. De meest simpele soort ironie is dat je het omgekeerde zegt van wat je bedoelt. Je zegt ‘Nou, lekker weer vandaag’ en dan bedoel je ‘Wat een rotweer’. Dat veronderstelt dat je gesprekspartner weet wat voor weer het is, en dat hij kan bedenken dat jij dat soort weer niet kunt waarderen, en dat je dus iets zegt wat niet waar is, maar dat je daar tóch iets mee bedoelt, etcetera. Als je gaat twitteren ‘Lekker weer vandaag’ is de kans groot dat mensen dat verkeerd begrijpen.

„Een ander voorbeeld: je houdt op de Dam in Amsterdam iemand aan en zegt ‘Waar kan ik een Franse krant kopen?’. Je verwacht dan echt niet dat die persoon je een lange opsomming geeft van alle plekken op de wereld waar je een Franse krant kunt kopen. Zoals je ook niet wilt dat de vraag ‘Wil je koffie of thee?’ met een volstrekt logisch ‘Ja’ beantwoord wordt.

„Een klassiek voorbeeld is de referentiebrief waarin je schrijft ‘Geachte heer, deze student heeft een prachtig handschrift, met vriendelijke groeten.’ Op zichzelf zeg je daarin niets negatiefs. Desalniettemin zal iedereen het interpreteren als een negatieve referentie.

„De onderliggende principes zijn in de jaren zestig heel mooi beschreven door de Amerikaanse filosoof Paul Grice. Een van die principes is dus: zeg niet meer dan nodig is. Ga niet uitgebreid uitweiden over allerlei details. Zeg geen dingen die de ander zelf ook wel kan bedenken. Maar dat is natuurlijk heel ingewikkeld. Om dat te kunnen doen ben je in je achterhoofd voortdurend aan het bedenken wat de ander wel of niet weet. Bovendien, wat ‘niet meer dan nodig’ is, is heel erg cultureel bepaald. Dus binnen kleine, hechte groepen, die veel kennis met elkaar delen, werkt dat beter.”

Dan kun je volgens Van Oostendorp dus denken aan kleine gemeenschappen van jager-verzamelaars, maar ook bijvoorbeeld, zegt hij lachend, aan de internationale gemeenschap van in dialecten gespecialiseerde fonologen, waar hijzelf deel van uitmaakt – ook zo'n honderd, honderdvijftig personen. „Die begrijpen mij pas echt goed!”. En je kunt ook denken aan de kleinste en hechtste gemeenschap die er bestaat: een echtpaar. „Mijn ervaring is dat je onder elkaar een eigen privétaal ontwikkelt. Grapjes, verwijzingen naar wat je eerder hebt gezegd, specifieke koosnamen...”

Taal is dus niet zo'n geschikt medium om tienduizenden mensen in toe te spreken?

Van Oostendorp: „We moeten natuurlijk constateren dat iemand als Adolf Hitler daar gruwelijk succesvol in is geweest. Tegelijkertijd moet je beseffen dat dat niet is wat we de hele dag doen. Dat er maar een handjevol mensen is dat daar een uitzonderlijk talent voor heeft ontwikkeld. Er zijn ook mensen die op rijm kunnen spreken, maar dat wil niet zeggen dat op rijm spreken een belangrijk aspect van taal is.”

Van kleine talen, zoals we ze nu nog aantreffen in de Amazone en in Nieuw-Guinea, wordt vaak gezegd dat ze implicieter zijn en daardoor ook ingewikkelder.

„Ja. Talen die door veel mensen gebruikt worden, en ook veel gebruikt worden in het contact met allerlei 'buitenstaanders', zijn in de regel wat transparanter. Woorden worden daarin meer in hun letterlijke betekenis gebruikt. En ze hebben minder naamvallen, minder uitgangen en zo.”

U bent van huis uit dialectoloog. Zijn dialecten ook niet in zekere zin van die kleine talen?

„Je ziet in Nederland duidelijke verschillen tussen de grote-stads-dialecten en plattelands-dialecten. Grote-stads-dialecten hebben vaak in hun grammatica dingen die simpeler zijn. Het werkwoordsrijtje in Rotterdam is: ik loop, jij loop, hij loop. Dat is simpeler dan in de meeste andere dialecten.

„We weten ook dat het verdwijnen van de naamvallen in het Nederlands in de steden is begonnen. Ooit hadden we ‘De man loopt’ versus ‘Ik zie den man’. Dat is in de middeleeuwen verdwenen en het is vrij overtuigend aangetoond dat dat begon in de Vlaamse steden, zoals Brugge, wat in die tijd een grote metropool was.

„Die vereenvoudigingen lijken vooral in stedelijke gebieden te ontstaan en zich van daaruit te verspreiden. In de steden komen in zekere zin te veel mensen bij elkaar en dan krijg je een bepaald type taal.”

De bekende taalwetenschapper Noam Chomsky denkt dat zinnen er in de eerste plaats zijn ‘om in het hoofd te gebruiken’ en pas op de tweede plaats om mee te communiceren. Wat vind u daarvan?

„Chomsky heeft het dan over de inner voice, of, zoals het verschijnsel ook wel genoemd wordt, de language of thought. Alles wat je daarover zou kunnen beweren is per definitie gebaseerd op introspectie. Mijn persoonlijke ervaring is dat ik alleen maar echt in taal, in complete zinnen denk, als ik in een soort gefantaseerd gesprek ben met iemand. Als ik gewoon maar wat zit te denken, op de fiets bijvoorbeeld, dan vormen zich geen zinnen in mij. Of die zijn in ieder geval niet zo duidelijk waarneembaar.

„En toch vind ik het wel een aantrekkelijke gedachte dat die language of thought een van de redenen is geweest dat taal ooit is ontstaan: het gaf gedachten een soort tastbare vorm, zodat je er niet alleen met andere mensen over kon communiceren, maar er zelf ook kritisch naar kon kijken, erover kon nadenken. Dat lijkt mij een belangrijke functie van het vormen van zinnen in het hoofd.”

Maar u volgt Chomsky niet helemaal?

„Nee, ik vind hem in sommige opzichten moeilijk te begrijpen. Hij denkt dat taal evolutionair eigenlijk alleen maar bedoeld is voor language of thought. Hij heeft wel eens gezegd: ga maar na bij jezelf, negentig procent van alle taal die je gebruikt is alleen maar in je hoofd. Nou, die ervaring heb ik helemaal niet.

„Voor Chomsky zijn dingen als klank en bijvoorbeeld de woordvolgorde in een zin daarom niet zo heel belangrijk. Want in ons denken hebben de zinnen nog geen klank of woordvolgorde, maar wel een structuur, waarin eenheden van betekenis met elkaar gecombineerd worden tot grotere betekenisgehelen. In ‘Het meisje vangt vis’ worden ‘vis’ en ‘vangen’ met elkaar gecombineerd tot ‘vis vangen’ en dat wordt dan weer gecombineerd met ‘meisje’ en daaruit ontstaat dan die zin. Chomsky noemt dat combineren ‘merge’: ‘samenvoegen’. Taal is in zijn ogen: woorden samenvoegen en woordgroepen samenvoegen. En dat is het dan. Dat staat heel ver weg van wat de meeste mensen nog als taal beschouwen. Dat maakt de discussie enigszins verwarrend.”

Toch eindigt u in uw boek ook met dat ‘merge’?

„Omdat ik in het boek van buiten naar binnen ga. Ik vergelijk zinnen met cadeautjes waar een heleboel lagen van inpakmateriaal omheen zitten. Als je de zin van al die laagjes ontdoet, helemaal uitpakt als het ware, wat houd je dan uiteindelijk over? Inderdaad: dat combineren van betekeniseenheden met elkaar. En of dat taal is of eigenlijk gewoon cognitie, dat weet ik niet. En eerlijk gezegd vind ik dat ook niet zo belangrijk.”

Marc van Oostendorp - Heb je nou je zin! Uitgeverij Bert Bakker. 192 pag. Prijs: € 17,50.

    • Berthold van Maris