Sympathiek, die EU, in de wereld werkt het niet

De EU kan geen harde buitenlandse politiek voeren. Dat blijkt maar weer eens in de kwestie-Oekraïne. Maar ze zou het wel moeten doen, vindt Jan Techau.

In een gedenkwaardige scène in de gangsterfilm The Untouchables (1987) steekt agent Jim Malone de draak met een Italiaan die hem met een stiletto bedreigt. Malone richt zijn geweer op hem en merkt droogjes op: „Echt iets voor wop. Neemt een mes mee naar een vuurgevecht”.

Afgezien van dat racistische wop, een denigrerende term voor een Italiaans-Amerikaanse immigrant, levert dit een goede beschrijving van de EU-politiek ten opzichte van de oostelijke buurlanden op. Ongewild is de Europese Unie een geopolitieke strijd met Rusland aangegaan. Daarvoor was ze slecht toegerust. Desondanks was het een moedige beslissing om dit gevecht niet uit de weg te gaan, al heerst er inmiddels wel twijfel of de EU op den duur wel partij kan blijven geven.

Waarom kan de EU geen harde buitenlandse politiek voeren, zoals elke andere grootmacht?

Ten eerste is de EU niet ingericht om politieke crises buiten haar grenzen op te lossen, maar om te bemiddelen in conflicten binnen haar grenzen en daar scheve machtsverhoudingen te voorkomen. Daarom voelt de buitenlandse politiek van de EU vaak aan als een vreemd element. Daardoor heeft het buitenlands beleid ook zelden meer om het lijf dan dat van de afzonderlijke lidstaten: een kleinschalig proces in plaats van een wereldwijde strategie.

De EU vermijdt het soort afzijdigheid dat vaak het kenmerk is van internationale crisisbeheersing. Haar politieke cultuur is het tegendeel van gecontroleerde escalatie; ze is juist gericht op gecontroleerde de-escalatie. De EU is structureel niet in staat zich hard op te stellen. Daarom is haar dappere houding tegenover de Russische inmenging in Oekraïne des te bewonderenswaardiger – zij het misschien ook tot mislukken gedoemd.

Ten tweede behoort chantage niet tot het arsenaal van de EU. Natuurlijk, ze kan moeilijk doen over de voorwaarden die landen moeten vervullen als ze politieke akkoorden met de EU willen sluiten of toelating tot de interne markt nastreven. En ze is ook niet vies van zachte dwang.

Maar in wezen berusten de buitenlandse betrekkingen van de EU op vrijwillige afspraken en goede trouw. De EU kan een aanbod doen. Slaan landen dit af, dan kan de EU hen niet straffen – kan ze zelfs niet met straf dreigen. Dat is natuurlijk een heel sympathieke karaktertrek. Maar het betekent wel dat de EU één instrument minder heeft dan sommige andere partijen, die het spel liever op pure kracht dan op basis van goede wil spelen.

Bovendien hebben de Europeanen eenvoudig niet de militaire macht om hun diplomatieke inspanningen te ondersteunen. En in een situatie van harde politiek kan dat nu juist van pas komen.

Tegenwoordig draait militaire macht immers om het geven van veiligheidsgaranties, aan partners en bondgenoten, zodat zij keuzes kunnen maken zonder het risico politiek gechanteerd te worden door andere, minder goedwillende partijen. Voor Europa voorzien de Verenigde Staten nog altijd hierin, maar Europa is op haar beurt niet in staat hierin voor anderen te voorzien.

Daarnaast is de EU niet in staat of bereid grote hoeveelheden geld te investeren in de gebieden waar ze belangen heeft. Dat betekent dan niet alleen een paar honderd miljoen euro steun, uitgespreid over een decennium, maar écht geld, besteed om resultaten te boeken.

De EU heeft zo’n investering niet gedaan na de Arabische Lente, toen alleen al de openstelling van de EU-markt voor lokaal geproduceerde goederen de zieltogende economieën van de regio had kunnen stabiliseren. Ook heeft de EU niet geïnvesteerd in haar oostelijke buurlanden, waar grote sommen geld de politieke leiders misschien meer naar het Westen hadden kunnen trekken.

Natuurlijk is het niet helemaal netjes om op deze manier zaken te doen, maar we leven in een harde wereld. Andere partijen vinden dergelijk gedrag minder bezwaarlijk.

Hiermee belanden we bij de laatste factor voor het gebrek aan hardheid: de EU kan moeilijk haar waarden laten varen en simpelweg een koelbloedige realpolitik omarmen. Meer nog dan de meeste nationale staten, die een breder scala aan bronnen voor hun identiteitsvorming hebben, heeft de EU haar waarden nodig om een basispeil van eenheid te bewaren.

Geeft de EU te veel prijs van de waarden waarop haar identiteit berust, dan kan ze gemakkelijk onherstelbare schade lijden. Geen wonder dat het voor de EU vaak gemakkelijker is om aan de zijlijn te blijven staan dan om zich echt in de geopolitieke strijd buiten haar grenzen te mengen.

Er zijn kortom structurele beperkingen waardoor de EU zo’n onbeholpen geopolitieke speler is. Toch moet Europa een aantal van deze factoren overwinnen. De lidstaten zijn te klein om alleen een verschil te maken. Als het er echt op aankomt, moet Europa eendrachtig zijn en een harde buitenlandse politiek voeren. Omdat dit op den duur niet alleen beter voor de belangen van de EU, maar ook beter voor haar waarden is.

    • Jan Techau