Staan is zonde van mijn energie

Snowboarder Nicolien Sauerbreij ging als baby op haar vaders rug de berg af. „Mijn moeder heeft me nog nooit live in een wedstrijd gezien”, zegt ze bij een vegetarisch broodje.

Snowboarder Nicolien Sauerbreij: „Ik kan veel eten. Hoe zwaarder ik ben, hoe harder ik van de berg ga.”

Bij lunchroom Zuivere Koffie was ik aan een tafeltje dicht bij de deur gaan zitten. Maar goed ook, blijkt later. Snowboarder Nicolien Sauerbreij (34) is tegenover me komen zitten. Haar blonde haar in een paardenstaart, rood bloesje, haar jasje net zo helder grijs als haar ogen. Ze geeft een snelcursus ‘Herken de topsporter’. Topsporters, zegt ze, kijken bij binnenkomst direct waar de dichtstbijzijnde zitplaats is. „Lang staan is niet goed voor je lichaam. Te veel druk op je rug en benen.” Staan is zonde van je spieren.

Een topsporter, zegt ze, stopt z’n energie in trainen en presteren. En tussendoor wordt er gerust. Rusten is niet: winkelen of televisie kijken. Rusten is liggen. Totale ontspanning. „De beste rust is slapen.” Ze lacht. „Sommige sporters zijn heel extreem. Die doen buiten hun sport helemaal niks wat ook maar een beetje vermoeiend is. Voeding, vervoer en verzorging wordt voor ze geregeld. Ik duik nog gewoon zelf de keuken in.”

Deze lunch is een van de laatste afspraken in haar agenda. Hierna is het alleen nog: voorbereiden op de Worldcup (dit weekend in Italië) en de Olympische Spelen over twee maanden in Sotsji. De vierde keer dat ze eraan meedoet, en de laatste keer. „Na de winter stop ik.”

Trainen doet ze niet alleen in de winter, en ook niet alleen op een berg of in de sneeuw. „Mijn normale trainingsschema loopt van april tot oktober, november.” Racefietsen, voetballen, mountainbiken, yoga, krachttrainingen. Om net als in 2010 (in Vancouver) goud te halen op de parallelreuzenslalom moet ze beschikken over uithoudingsvermogen, kracht, coördinatie, balans en explosiviteit. „Hoe allrounder hoe beter.” Een ‘normale’ dag als vandaag begint met yoga. Dat doet ze thuis, in haar Amsterdamse appartement, met een app op haar telefoon. Dan een paar uur naar sportschool David Lloyd. Tussendoor fysiotherapie. Op de fiets naar haar afspraak. En in de middag nog een paar uurtjes sportschool. Acht maanden per jaar leeft ze „uit haar tas” in hotels in de buurt van bergen.

Ze bestelt een broodje mozzarella. Ik vraag of ze zich nog moet houden aan een of ander sportdieet. Ze lacht. „Ik kan veel eten. Hoe zwaarder ik ben, hoe harder ik van de berg ga.” Haar manager had me gevraagd een restaurant te kiezen met een eenvoudige, maar vegetarische en liefst biologische menukaart. Wordt lastig straks in Sotsji, kan ik me zo voorstellen. Tijdens de vorige Olympische Spelen logeerde Nicolien Sauerbreij als enige Nederlandse sporter in een huis buiten het olympisch dorp. Dat kan dit keer niet. „Ik heb nog geen idee wat daar te krijgen zal zijn. Ik stop in elk geval vleesvervangers en noten in mijn koffer.”

Sterretjes zien

Nicolien Sauerbreij is 1.65 meter en weegt nog geen zestig kilo, dat is zeker twintig kilo minder dan haar snowboardconcurrenten. „En dan ben ik vergeleken met mijn zusje nog fors.” Haar jongere zus, Marieke, is ook professioneel snowboarder. Ik probeer niet al te opvallend over tafel te kijken naar waar die forsheid van haar zou moeten zitten. „Grote handen”, zegt ze. Ze roffelt ermee op haar dijen. „Arie Boomsma (televisiepresentator) traint in dezelfde sportschool als ik. ‘Holy fok’, zei hij. ‘Die bovenbenen van jou’.” Een slalomafdaling duurt maximaal vijftig seconden. De zwaartekracht helpt een beetje, maar verder kost het vooral veel spierkracht om heel snel, heel hard (en heelhuids) beneden te komen. „Negentig procent van mijn oefeningen zijn voor de benen en de billen.”

Knollen van knieën en een uitstekende kont zijn nog milde bijverschijnselen van haar sport. Ze is volledig hersteld van een buikoperatie in 2012. „Een navelbreuk die al heel lang sluimerde.” Nu revalideert ze van een rugblessure die ze in september opliep. Door alle krachtoefeningen was een van de wervels verschoven. De verplichte helm die snowboarders dragen voorkomt dat de schedel barst bij een val. „Maar je ziet alsnog sterretjes. Geen idee meer waar je bent.” Drie keer zeker heeft ze zo’n doodsmak gemaakt. Haar moeder is altijd bang dat het een keer echt mis gaat. „Ze heeft me nog nooit live in een wedstrijd gezien.” Ook niet op televisie. „Als het aan haar had gelegen waren mijn zusje en ik nooit begonnen aan welke wedstrijdsport dan ook. Zij vindt: topsport brengt alleen maar blessures en teleurstellingen. Ze begrijpt niet dat we dat willen.”

We, dat zijn Nicolien, haar zusje en hun vader Maarten als initiator en vaste trainer. Van jongs af aan heeft hij zijn dochters laten judoën, zeilen, windsurfen, wielrennen. Haar vader is skileraar geweest. „Hij ging drie, vier keer per jaar naar de sneeuw.” Zij ging, als baby van vier maanden, in zijn rugzak mee de piste af.

Nee, geen voetbal of hockey of andere teamsport. „Dat was bewust. Mijn ouders zijn nogal reislustig, ze wilden hun vrijheid houden en niet elk weekend langs de lijn staan.” En dat vond haar moeder wel goed? „Nou ja, het was allemaal gewoon gezellig. We deden niet mee aan wedstrijden, ofzo. Ja, een keer, toen ze in het ziekenhuis lag, heeft mijn vader me opgegeven voor een judowedstrijd.” Ze lacht. „Niks voor haar. Al die bloedfanatieke kinderen op de mat.”

Haar vader had als jongen talent voor wielrennen. „Maar zijn ouders hadden niet de tijd of het geld om hem te steunen.” Als hij ergens in het land een wielerwedstrijd moest rijden, moest hij er eerst zelf heen fietsen. „Hij heeft het maximale eruit gehaald, maar zijn talent is verloren gegaan.” Hij had als judoka naar de Olympische Spelen gekund. „Maar de financiële middelen ontbraken hem.” Hij ging dus niet. „Het was bij hem nooit: ik heb mijn kans gemist, dus jij moet. Hij heeft zijn kinderen wel willen geven wat hij zelf nooit kreeg.” Dus toen zijn oudste dochter op haar veertiende zelf meer wilde trainen – ze zat inmiddels in een jeugdskiteam – nam hij onbetaald verlof op om met haar naar de sneeuw te gaan. En toen ze, op haar achttiende, besloot van snowboarden haar beroep te maken, verruilden haar ouders hun huis in De Hoef voor een kleiner, kochten een camper om goedkoper met hun dochter mee te kunnen reizen en zei haar vader zijn baan als technicus bij tandheelkundig instituut ACTA op er werd fulltime haar coach en trainer.

Dromer

Ze rilt als de buitendeur opengaat en een koude windvlaag binnenkomt. „Ik heb een hekel aan kou.” Lastig in de bergen? „Je kunt je erop kleden.” De Winterspelen worden in het laaggebergte gehouden. Niet heel koud, wel veel kans op regen. Ze won in Vancouver olympisch goud bij vergelijkbare weersomstandigheden. „Toch niet ideaal. Ik hou het meest van de Dolomieten in Italië, zo rond januari, februari. De mooiste sneeuw, en het voelt als voorjaar.”

Haar ouders, zegt Nicolien Sauerbreij, hebben energie voor tien. „Ze zien nooit ergens tegenop.” Ze wilden de stad uit en verhuisden naar een dorp. „Zeven kilometer rijden om boodschappen te kunnen doen.” De kinderen op de Vrije School. „De basisschool in Amstelveen was een half uur rijden. De middelbare school in Amsterdam vijf kwartier.” Zij gedijde goed bij het Vrije Schoolonderwijs, zegt ze. „Ik was een dromer. Ik zag mezelf later met een ijscokar en een hond de wereld rond reizen. Ik had alles altijd net iets later door dan anderen. Ik was nog niet toe aan de strakke beoordelingen van het reguliere onderwijs.” Op de Vrije School leerde ze rekenen door een hinkelspel, geschiedenis en aardrijkskunde door liedjes, Engelse woorden met rijmpjes. „Je leert via doen, via beweging. Dat werkte bij mij beter dan een verbale uitleg of een boek lezen. Ik leer van zien.” Nog steeds. „Ik heb meer aan een videoanalyse van een wedstrijd dan aan een technisch verhaal.” Op elke andere school zou ze, denkt ze, bezweken zijn onder de „gerichtheid op prestaties en resultaten”.

Voor haar eindexamen vwo heeft ze een werkstuk gemaakt over de combinatie van Vrije School met topsport. De laatste paar schooljaren was ze al hele winters absent om mee te doen aan snowboardwedstrijden.

Veel prestatiegerichter dan topsport krijg je het niet. „Gek genoeg, had ik die duidelijkheid van topsport ook nodig.” Haar sportieve prestaties worden tot op de honderdste seconde nauwkeurig gemeten. Veel duidelijker en definitiever kun je niet beoordeeld worden. „Bij een jurysport, zoals kunstschaatsen, zit er altijd nog iets subjectiefs in het oordeel. Als een schaatser de gunfactor heeft, hoeft zelfs een val niet fataal te zijn.” Haar sport, zegt ze, maakte haar gedisciplineerd en goed georganiseerd, waardoor ze haar schoolwerk kon bijbenen. En waardoor ze nu leiding kan geven aan een heel team dat voor haar overwinning werkt: een teammanager, een materiaalman, een fysiotherapeut, een sportarts, een sportmasseur, een conditietrainer en de coach. Haar school zorgde ervoor dat ze zich „sociaal” heeft kunnen ontwikkelen.

Ietsje te sociaal, misschien? Haar is vaak verweten dat ze niet de ‘killermentaliteit’ heeft die een profsporter moet hebben. Niet egocentrisch genoeg. Haar paardenstaart zwaait op als ze recht overeind gaat zitten. „Mwah...”, zegt ze. Het zou kunnen dat ze vroeger iets te veel oog had voor anderen. En ze heeft ook wel eens gedacht: ‘mijn ouders hebben er zoveel voor opgegeven, als ik maar niet val...’ Maar verder... „Sport is nummer één voor mij, hoor.” Nu het wedstrijdseizoen is begonnen, doet ze weinig anders dan trainen. Afspraken maakt ze niet, en ze vermijdt mensen die haar met een verkoudheid kunnen besmetten. „Ik ga op kindertijden naar bed. Om vijf, zes uur ’s ochtends sta ik op. Dan zijn de condities op de gletsjer het best.” Maar dan nog, zegt ze, gaat het haar niet om het ‘overwinnen’ of beter zijn dan de ander. „Het enige wat ik wil halen, is het beste uit mezelf.”

    • Rinskje Koelewijn
    • Tekst