Sprookje van Kerst in Stockholm

December is niet noodzakelijk de beste maand voor een stedentrip naar Stockholm. Pas rond negen uur begint het licht te worden en veel meer dan een schemerig zonnetje zie je niet, voordat om drie uur alweer de avond valt. Schuifelend langs de donkere kades door sneeuw, ijzel en regen kun je gemakkelijk door sombere gedachten worden overvallen.

Toch had Alfred Nobel geen betere sterfdag kunnen uitkiezen dan 10 december. De uitreiking van ‘zijn’ prijzen geeft de Zweden het perfecte excuus om een volle maand Kerst te vieren. Het hele land kijkt uit naar de lange nacht van de uitreiking en maakt deze tot een feest van licht, van de schoolkinderen die met hun fakkeltjes de gasten buiten begroeten tot het met brandende kerststerretjes versierde dessert getiteld ‘een chocolade-explosie in het hoofd van Alfred Nobel’. Het banket voor 1.300 man, inclusief 250 studenten, in de Blauwe Zaal van het neorenaissance stadhuis werd dit jaar met feeërieke filmprojecties, een gigantisch orgel en drie duellerende diva’s letterlijk tot een reusachtig operadecor omgetoverd.

Voor het Zweedse publiek is dit dé societygebeurtenis van het jaar. Het spektakel is live op televisie te volgen, een beetje zoals in de negentiende eeuw toeristen tegen betaling vanaf tribunes de staatsbanketten van de kleinere Europese vorstenhuizen konden aanschouwen. De volgende ochtend publiceren de kranten speciale bijlages waar uitvoerig de glamourfoto’s van het afsluitende bal worden geanalyseerd. Er is echter alle reden om bij meer stil te staan dan de japon van de Zweedse koningin. Eigenlijk was de avond een wetenschappelijk Kerstsprookje.

Bij de dankwoorden verscheen de Geest van de Voorbije Kerst als eerste op het podium en wel in de persoon van de Schotse deeltjesfysicus Peter Higgs. In de hiërarchie van de Nobelprijzen komt natuurkunde eerst – u hoort mij niet klagen – gevolgd door scheikunde, medicijnen en literatuur (schrijfster Alice Monroe was helaas verhinderd). Zoals altijd hebben de economen het laatste woord. Higgs is een bescheiden en teruggetrokken man. Zijn dankbetuiging van 200 woorden was even kort en raak als de wetenschappelijke artikelen die hem en zijn Belgische collega François Englert dit jaar naar Stockholm brachten.

Het is gemakkelijk te vergeten dat hun prijswinnend werk uit 1964 stamt, bijna vijftig jaar geleden. Toen had men geen flauw idee hoeveel tijd en geld het zou kosten om het deeltje te vinden dat op papier voorspeld was. In Higgs’ eigen woorden, vroeg het „meer dan dertig jaar werk aan de ontwikkeling van versnellers, detectors en computerprogramma’s”. Toen Englert en Higgs eerder die avond in de Concertzaal van Stockholm uit handen van de Zweedse koning de oorkonde in ontvangst mochten nemen, zaten achter hen op het podium een aantal eerdere Nobelprijswinnaars in de theoretische deeltjesfysica, waaronder de Nederlander Gerard ’t Hooft. Allemaal waren zij jonger dan de winnaars van dit jaar. Zij deden hun cruciale werk later, maar zij hadden het geluk dat hun voorspellingen al in de jaren negentig konden worden bevestigd.

Dat is het dilemma van de theoreet. Per definitie wil je je tijd vooruit zijn, maar liefst niet al te ver. Het pad naar experimentele verificatie kan echter gemakkelijk langer dan een mensenleven zijn. In wezen is dit Einstein en anderen overkomen. Het is in mijn ogen een serieuze omissie dat er geen enkele Nobelprijs is toegekend aan de algemene relativiteitstheorie.

Met het dankwoord van de bio-informaticus Michael Levitt betrad de Geest van de Huidige Kerst het podium. Hij en zijn collega’s zijn beloond met de Nobelprijs voor de Scheikunde voor hun revolutionaire werk aan computersimulaties van chemische reacties. Simulaties zijn nu in bijna ieder vakgebied de derde pijler van onderzoek naast theorie en experiment. Levitt roemde de enorme technische vooruitgang van de afgelopen vijftig jaar die ons de digitale wereld heeft gebracht. Als in diezelfde tijd „auto’s zo veel waren verbeterd als computers, dan zou een nieuw model Volvo slechts 20 kronen kosten, een miljoen kilometer per uur gaan en 50.000 mensen vervoeren.”

De Geest van de Toekomstige Kerst klonk door in de waarschuwende woorden van de celbioloog Randy Schekman. De Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde beloonde dit jaar de ontdekking van het moleculaire transportsysteem in de cel. Schekman wees erop dat alle laureaten in de natuurwetenschap „de waarde van nieuwsgierigheid-gedreven onderzoek weerspiegelen, ongehinderd door top-down management van doelstellingen en methodes.” Hij waarschuwde voor „de groeiende tendens van de overheid ontdekkingen te managen met uitgebreide zogenaamde strategische wetenschapsinitiatieven ten koste van de individuele creatieve inspanning die we vandaag vieren.”

Schekman citeerde hier met instemming de wijze woorden van Pasteur. Terug in de realiteit van de koude Zweedse winternacht, terwijl het strooizout onder mijn lakschoenen kraakte, had de oude meester op dit feest van de wetenschap voor mij het laatste woord (met excuses aan de economen): „Er is geen categorie die we toegepaste wetenschap kunnen noemen. Er is wetenschap en er is de toepassing van de wetenschap, verbonden als het fruit met de boom die het draagt.”