Palankijn

„Geen aangenamere manier van reizen dan per palankijn; een sofa waarin men op een zacht matras en met kussens onder het hoofd ligt als op een bed. Over bamboebogen wordt een hemel van groen of rood laken gespannen tegen de zon en wie er tijdens de reis in slaapt laat een opgerold katoenen kleed aan weerszijden neer tot op de grond. De dragers of koelies zijn altijd vriendelijke en gewillige mensen. Ze behoren tot de kaste der boeren en worden van jongs af aan voor dit werk geoefend. Hun schouders zijn altijd bedekt met een dikke laag eelt en bij het dragen maken ze om beurten een zacht, steunend geluid, dat niet onaangenaam is. Er zijn altijd vier dragers, twee voor, twee achter, terwijl er nog eens vier naast lopen om die eersten te vervangen als zij moe zijn. Dat gebeurt onder het lopen, zonder dat de palankijn ervoor hoeft te stoppen. De beweging is zo zacht dat je vergeet dat je gedragen wordt – het lijkt wel alsof je boven de grond zweeft, of vliegt.”

Was getekend Jacob Haafner in zijn dagboek Exotische liefde, over zijn reis door India in de achttiende eeuw. Denk daar maar eens aan als u opgevouwen in het vliegtuig de slaap probeert te vatten.