Nergens

thuis

S

Reportage

Fukushima

 

Er blijft maar slecht nieuws komen over Fukushima. De omgeving is een spookgebied. Toch blijven bewoners hopen, tegen beter weten in.

Hanneke Chin-A-Fo

foto reuters

Surfen in de zee bij Fukushima. Voor de kernramp was dat een fijn weekendje weg voor jongens uit Tokio. Nu, op een zondagmiddag ruim tweeënhalf jaar later, zijn er nog vier surfers die het aandurven. Gretig zwemmen ze op hun surfplanken het heldere water in, om even later weer aan land te rollen. Steeds opnieuw, onvermoeibaar.

 

Vanuit de kerncentrale, twintig kilometer zuidelijker, stroomt voortdurend radioactief water de zee in. In maart 2011 veroorzaakte een tsunami grote explosies in de kerncentrale Fukushima Dai’ichi, die ervoor hebben gezorgd dat de omgeving nu nog altijd een spookgebied is. Het plezier van de jongens is er niet minder om. De zee, het strand en de wijde omgeving zijn van hen. Niemand heeft verder nog iets te zoeken in dit rampgebied, ook al ligt het net buiten de evacuatiezone van twintig kilometer rond de kerncentrale.

Een van de surfers legt zijn surfplank op het dak van zijn auto, slaat een handdoek om zijn schouders en steekt een sigaret op. Praten over de kerncentrale doet hij liever niet, omdat hij er werkt. Een van de voordelen van zijn baan als monteur in Fukushima Dai’ichi is dat zijn lichaam geregeld wordt gecontroleerd op straling. „Tot nu toe is er bij mij nooit iets gevonden”, zegt hij. „Ik maak me dus maar geen zorgen over zwemmen in de zee.”

Een beschadigde basisschool in Namie, een stad in de omgeving van Fukushima. Na de ram p zijn 160.000 Japanners geëvacueerd. Veel van hen wachten nog altijd op het moment dat ze terug kunnen keren naar huis.foto reuters

Producer

Zijn naam kan beter geheim blijven, zegt hij. Zijn werkgever, energiebedrijf Tepco, zou het niet op prijs stellen als hij met de pers spreekt. Tepco ligt sinds de kernramp onder vuur en doet er zo veel mogelijk het zwijgen toe – wat het wantrouwen van de bevolking alleen maar vergroot. „Ik denk niet dat alle gevluchte mensen hier weer kunnen wonen”, wil hij wel nog kwijt. „We krijgen de omgeving niet meer helemaal schoon.” Hoeveel van de 160.000 evacués uiteindelijk kunnen terugkeren weet hij niet. Ook niet wanneer.

Niemand weet iets. Tepco zwijgt. De overheid presenteert schoonmaakplannen waarvan het onwaarschijnlijk is dat ze op tijd zullen worden uitgevoerd. Deskundigen zijn kritisch over de vraag of alle gezondheidsrisico’s zijn uit te bannen. En de bevolking wacht af.

De verlaten stad Namie, in de omgeving van Fukushima. De 20.000 inwoners van de stad werden na de ramp geëvacueerd en mogen hun huizen nu eens per maand bezoeken.foto reuters

Producer

Wie de evacuatiezone binnenrijdt is alleen op de weg. Politieagenten bewaken de toegangswegen, maar de controle is niet streng. „Zorgt u er wel voor dat u voor het donker weer terug bent”, zegt een agent.

In de dorpen die de aardbeving en de tsunami hebben doorstaan zijn de gordijnen dicht en de rolluiken neergelaten. Dode planten vergaan op de vensterbanken. Nergens staat een auto op de oprit.

Dichter bij de kust overheerst de ravage die de tsunami heeft aangericht. Dode bomen die het zeewater niet hebben overleefd. Verfrommelde auto’s en vangrails. Een brug waarvan alleen de betonnen pijlers nog staan. Vissersschepen in een zee van metershoge, wuivende guldenroede, zover als het oog kan zien.

Een omroepbericht uit een luidspreker, aan een paal midden in het veld, doorbreekt de stilte. „Dit gebied is alleen toegankelijk tussen negen en vier”, zegt een mannenstem op een bandje. „Houdt u zich alstublieft aan dit voorschrift.” Dan is het weer stil.

Direct achter de zeewering staat het overblijfsel van een school. Het gebouw is half ingestort. De zeebries waait door de gymzaal, waar de houten vloer is bezweken onder het gewicht van het water. De klokken in het gebouw zijn stil blijven staan om zeven minuten over half vier.

Een automaat, meegesleurd door de tsunami, staat eenzaam op een verlaten rijstveld vlak buiten Fukushima. Als het hier regent gaat het stralingniveau omhoog. foto reuters

Producer

In de zeewering zelf zijn op verschillende plekken gaten van tientallen meters geslagen, die provisorisch zijn volgestort met betonblokken. Kustbescherming biedt dat nauwelijks, maar er is niets meer te beschermen hier, en vandaag is de oceaan rustig. Leeg, op een patrouillerend kustwachtschip na.

Aan het einde van de zeewering begint het gebied waar de straling zo hoog is dat de toegang er verboden is. Vanaf hier zijn in de verte net de schoorstenen van de kerncentrale te zien. De rest van het complex gaat schuil achter een hoge aarden wal met bomen.

Origamiën tegen de verveling

„We hebben geen idee wanneer we weer naar huis kunnen”, zegt Yoshiki Konno, een gepensioneerde zakenman die rijk is geworden met de productie van auto-onderdelen in lagelonenlanden. Hij is in een huis buiten het rampgebied gaan wonen, maar hij bezoekt geregeld de opvangkampjes met noodwoningen, net buiten de evacuatiezone van twintig kilometer rond de kerncentrale. Daar wonen bij elkaar ongeveer 12.000 mensen. Dit zijn de mensen die heel graag terug willen. Veelal zijn het ouderen. De andere evacués zijn weggetrokken naar andere delen van het land.

Het kampje Terauchi-Tsukaai staat in Minamisoma, een stadje net buiten de evacuatiezone. Tweehonderd prefab-huisjes van kunststof zijn opgesteld in rijtjes van zes, met asfaltweggetjes ertussen. Met vier andere bejaarden zit Konno thee te drinken in wat hij de salon noemt: een eenvoudig houten gebouw in het midden van het terrein, dat vroeger dienst deed als buurthuis. Konno heeft het laten inrichten met een tafel, een grote flatscreen-tv, een karaokemachine en een massagestoel. Handwerkjes en origami fleuren de boel op. „Ik probeer de gemeenschap een beetje gaande te houden”, legt Konno uit.

Net als de anderen is Konno afkomstig uit Odaka, een stadje van voorheen 11.000 inwoners in het rampgebied. Zij mogen alleen overdag terug naar hun huizen, omdat er nog te veel straling is om er weer te gaan wonen. Konno heeft wel de middelen om zich permanent in een ander deel van het land te vestigen, maar hij wil dat niet. „Japanners zijn boeren. Wij blijven op de grond van onze voorouders.” De salon redt deze mensen van de verveling. „Onze huisjes zijn te klein”, zegt Tokishige Shiga, een vitale man met een geel poloshirt, een zwarte pantalon en witte tennissokken. „Het liefst zitten we hier de hele dag.”

foto reuters

Producer

Shiga’s leven bestaat uit wachten tot de overheid zijn stad weer bewoonbaar heeft verklaard. „Mijn eerste, tweede en derde prioriteiten zijn om terug naar huis te gaan, ook als de kerncentrale nog niet ontmanteld is. Als de overheid maar zegt dat het veilig is.”

„Alleen oude mensen willen terug”, zegt Hisako Gotou, een gepensioneerde danslerares met zwartgeverfd haar en een wit bepoederd gezicht. „De jonge mensen trekken weg. Dat wordt wel een probleem als we terug naar Odaka gaan.” Gotou twijfelt of ze het wel ziet zitten. „Hier voelt het alsof ik in een soort doos woon, maar mijn huis voelt ook niet meer als mijn huis. Er zijn te veel slechte herinneringen. En ik zal altijd bang blijven voor een nieuw ongeluk met de kerncentrale.”

Een andere dame uit het gezelschap, Fumiko Shige, laat zien hoe de mensen wonen. Haar huisje bestaat uit vier kamers van elk vijf vierkante meter: een hal annex keuken, een slaap- en zitkamer, een kamer die zij en haar man gebruiken als opslag, en een badkamer. De voordeur is versierd met origami.

De prefectuur heeft de huisjes geleverd, zegt ze. Shige denkt dat ze niet veel langer meer meegaan. „Alles is al een keer kapot gegaan. En als straks de Olympische Spelen komen, vergeet de overheid ons vast.” In 2020 worden de Olympische Spelen in Tokio gehouden.

Er is nog één andere gemeenschappelijke ruimte op het kampje, kleiner dan de salon, die meneer Konno wil laten zien. Daarbinnen is een hobby uit de hand aan het lopen. Vijf hoogbejaarde dames zijn aan het origamiën alsof artrose niet bestaat. In duizelingwekkend tempo vouwt een van hen een piepklein doosje van zwart en goudkleurig papier. Twee anderen zijn bezig om origamiwerkjes aan een slinger te rijgen. Weer twee anderen zoeken een plekje waar ze het resultaat kunnen ophangen.

Het plafond, de muren en de ramen hangen vol met kunstwerkjes. Ze hebben er geen doel mee, zegt een van de dames. „We zochten gewoon iets om te doen.”

Auto vol jerrycans

Hoewel het stadje Odaka sinds anderhalf jaar overdag weer toegankelijk is, is er haast niemand te zien. Twee bedrijfjes zijn weer open: het benzinestation en de kapsalon van Sunao Katou en zijn vrouw. Elke ochtend rijdt het echtpaar met een auto vol jerrycans en flessen water van hun kampje naar de stad.

„Op 16 april vorig jaar mochten we het gebied weer in. Twee dagen later was er weer elektriciteit en heb ik de zaak heropend”, vertelt Katou (63). „Stromend water is er nog steeds niet, maar ik wilde per se weer gaan werken. In het begin kwamen er op sommige dagen helemaal geen klanten. Nu is een deel van mijn vroegere klandizie terug. Ze komen vanuit de opvangkampen of hun nieuwe woonplaats. Soms zelfs vanuit Tokio.”

Veel mensen werken niet meer, constateert de kapper. „Ze zitten maar in de opvangkampen, te wachten tot Tepco hun schadevergoeding gaat uitkeren. Daar word je depressief van.”

De slachtoffers krijgen maandelijks 100.000 yen (750 euro) van Tepco om in hun levensonderhoud te voorzien. De grote schadevergoeding voor de ramp is een zaak voor advocaten. Niemand weet hoe lang dat nog gaat duren. „Ik heb ook een vragenlijst gekregen van Tepco, maar ik heb hem niet ingevuld”, zegt Katou. „Het waren zo veel vragen. Ik werd er neerslachtig van.”

Hij heeft geen idee of de stad ooit weer tot leven zal komen. „Niemand in Japan gelooft dat de situatie in de kerncentrale onder controle is. We hebben de technologie om die dingen te bouwen maar niet om ze weer uit elkaar te halen”, zegt hij lachend. De kapper is klaar met knippen en steekt een sigaret op. „Volgens een enquête van de gemeente wil 30 tot 40 procent van de bewoners terug. Maar als er maar duizend mensen terugkomen vind ik het ook goed. Dan komen tenminste alleen degenen die er echt weer wat van willen maken.”

Zijn klant Matsumoto, een 38-jarige vrachtwagenchauffeur, is zijn huis kwijtgeraakt door de tsunami, maar wil graag een nieuw huis bouwen op dezelfde plaats. Hij vraagt zich wel af of de straling ooit genoeg zal afnemen om geen gevaar meer te vormen voor zijn elfjarige dochter. „De overheid moet ons serieuzer nemen”, vindt hij. „Het is duidelijk dat Tepco de situatie niet aankan. We moeten buitenlandse experts om hulp vragen.”

Arbeider Takahashi is een van de ruim duizend krachten die de overheid heeft ingehuurd om Odaka schoon te maken. Als zijn grijze haardos weer mooi is bijgewerkt, vertelt hij bij een glaasje ijskoffie hoe dat in z’n werk gaat: „Met graafmachines halen we vijf centimeter van de grond weg. Die doen we in grote plastic zakken en die worden uiteindelijk opgeborgen in drie opslagplaatsen die in de bergen worden aangelegd. Wegen en vloeren maken we schoon met water uit hogedrukspuiten. Muren vegen we af met papieren doekjes.”

Volgens plannen van de overheid moet de schoonmaakoperatie van het hele rampgebied eind 2016 af zijn, maar het is onduidelijk of dat gehaald zal worden. Niet alleen komt het proces langzaam op gang, het is ook de vraag of het überhaupt mogelijk is om het gebied zo schoon te krijgen dat er weer mensen kunnen wonen. Steeds meer critici vinden dat de overheid moet accepteren dat bepaalde delen, of misschien wel de hele omgeving, nooit meer bewoonbaar zullen zijn.

Een van de meest uitgesproken critici is Hiroaki Koide, atoomgeleerde aan de Universiteit van Kyoto. „Het is onmogelijk om de vervuiling zodanig op te ruimen dat er helemaal geen gezondheidsrisico’s meer zijn”, zegt hij per telefoon. „De stralingsdeeltjes zitten vast aan bodemdeeltjes, aan de bladeren, of verzamelen zich in kieren en scheuren. De vervuiling beweegt dus als het waait, regent of sneeuwt.” Dit verklaart waarom het stralingsniveau weer kan stijgen op plaatsen die al zijn schoongemaakt. „Je kunt de straling verminderen, maar de enige echte oplossing is om het gebied onbewoonbaar te verklaren”, vervolgt Koide.

Sinds de kernramp zijn er voortdurend incidenten rond de kerncentrale. Telkens bezweert eigenaar Tepco dat het de situatie onder controle heeft, maar vaak blijkt dat later niet zo te zijn. Herhaaldelijk zijn medewerkers door ongelukken blootgesteld geweest aan hogere stralingsdoses dan verantwoord wordt geacht. En keer op keer blijkt er vervuild water te lekken.

Elke dag bereikt ongeveer 100.000 liter grondwater vanuit de heuvels de vervuilde bodem van de kerncentrale. Een deel hiervan komt aan de oppervlakte op het terrein en wordt opgeslagen in grote watertanks. De rest stroomt ondergronds vervuild verder richting oceaan, zo’n 150 meter verder. Het is moeilijk te meten hoe vuil dit water is en of het schade aan het zeeleven aanricht.

Het water stelt Tepco voor een onhoudbaar probleem. Elke dag moet er 400.000 liter vers vervuild grondwater worden opgeslagen, zonder dat er uitzicht is op een manier om er weer vanaf te komen. Er staan nu ongeveer duizend enorme tanks op het terrein en Tepco bouwt nieuwe tanks die nog eens 800 miljoen liter kunnen opvangen. Dat moet genoeg zijn voor nog een paar jaar. „Maar we kunnen niet eindeloos doorgaan met tanks bouwen”, zei Tepco-topman Naomi Hirose onlangs.

Van de duizend tanks zijn er 350 in grote haast gebouwd, in de eerste periode na de ramp. In augustus bleek dat 300.000 liter water dat ernstig was vervuild uit zo’n tank via een goot naar de oceaan was gestroomd. De Japanse nucleaire toezichthouder NRA classificeerde de gebeurtenis als een „ernstig incident op internationale schaal”.

Uit onderzoek van de NRA bleek later dat het lek al anderhalve maand eerder opgemerkt had moeten zijn. De inspecteurs van Tepco die twee keer per dag de tanks moeten controleren hadden het waterniveau niet in de gaten gehouden. Ook hadden ze niet gezien dat zich een plas vormde naast de bewuste tank, en dat er water door de zandzakken sijpelde. Niemand was opgevallen dat het stralingsniveau naast de tank omhoog was geschoten.

Als Tepco een relatief eenvoudige taak als het waterbeheer niet op orde heeft, is het bedrijf dan wel toegerust voor het echte werk: het verhuizen van de splijtstofstaven die liggen opgeslagen in het waterbad van reactor nummer 4?

Reactor 4 was tijdens de ramp uitgeschakeld voor onderhoud. De 1.533 bundels van splijtstofstaven zijn niet gesmolten, zoals de staven in de reactoren 1, 2 en 3. Maar ook het gebouw rond reactor 4 is door waterstofexplosies en brand zwaar beschadigd geraakt en dus moeten de bundels in veiligheid worden gebracht.

Het World Nuclear Industry Status report van dit jaar haalt onderzoek aan waarin een worstcase -scenario wordt beschreven: als de reactor instort en het waterbad verwoest, waardoor de bundels bloot komen te liggen en er brand ontstaat, kan dat de gedwongen evacuatie van tien miljoen Japanners betekenen. De verhuizing van deze bundels is de eerste echte stap in het ontmantelingsproces van Fukushima Dai’ichi, dat in totaal waarschijnlijk tientallen jaren gaat duren. Als deze klus geklaard is, moet de rommel in de reactoren 1, 2 en 3 nog worden opgeruimd.

Tepco is vorige maand begonnen met de verhuizing. De staven – elk 4,5 meter lang en 300 kilo zwaar – moeten worden overgebracht naar een ander, veiliger waterbad, honderd meter verderop. Tepco heeft het puin opgeruimd en een op afstand bestuurde kraan boven het waterbad gebouwd, waarmee de bundels in een stalen kist moeten worden gehesen. De kunst is om ervoor te zorgen dat ze tijdens dit proces nergens tegenaan stoten, dat ze niet vallen of te dicht bij elkaar komen. Tepco trekt een jaar voor de operatie uit.

Plastic voordeuren

Voor de bewoners van de opvangkampjes rest niets anders dan afwachten. Afwachten tot Tepco over de brug komt, tot de splijtstofbundels zijn verhuisd, tot er een einde komt aan de lekkages. Tot de vervuilde grond is opgeruimd en veilig is opgeslagen. Tot ze durven geloven dat gezondheidsklachten zullen uitblijven. Tot iemand die ze vertrouwen zegt dat het weer veilig is.

Miwako Kohata, een oudere boerin, woont in Koike Naganuma, het tweede opvangkamp in Minamisoma. Ze wil haar huis op de oorspronkelijke plaats herbouwen. „De overheid is van plan een zeewering aan te leggen, dus dat moet veilig genoeg zijn.” Zij verwacht wel een probleem met de financiering. „Ons huis was al door de tsunami verwoest voordat de kernramp plaatsvond. Een natuurramp dus, en daarom krijgen we maar 10.000 dollar aan schadevergoeding.”

Keiko Uemura, die uit hetzelfde dorp komt, geeft het boerenbestaan op. Ze verloor haar man door de tsunami, en gaat ervan uit dat hun grond voor altijd verpest zal zijn. „Elke keer als het regent gaat de straling weer omhoog”, legt ze uit. Uemura heeft een appartement toegewezen gekregen dat de lokale overheid ergens in de toekomst gaat bouwen. „Ze denken nu dat de bouw in augustus gaat beginnen. Ik wacht het af.”

Intussen gaat er een hoop klein leed schuil achter de plastic voordeuren van het Koike Naganuma-kamp. „Veel mensen hebben psychische problemen”, vertelt mevrouw Kohata. „Ik zet de tv niet meer aan, omdat ik bang ben dat er beelden van de tsunami voorbijkomen. Ik kan de herinnering niet verdragen.”

Mevrouw Shiga, een grootmoeder met een lange paardenstaart die haar dagen vult met het maken van knuffelbeesten, merkt aan zichzelf dat de spanning oploopt. „Vroeger bracht ik elke dag mijn kleinzoon naar de crèche, maar hij woont nu ergens anders en ik mis hem. Ik ben me gaan ergeren aan mijn man. Als hij in ons huis voorbij loopt, kan ik zomaar tegen hem snauwen: ‘Hé, waarom loop je daar eigenlijk!’ Terwijl we vroeger nooit ruzie hadden.”