Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Marcel Poepen in de gang

Een vriend kreeg een brief van Dick, wijkagent in de Amsterdamse Kinkerbuurt. Onderwerp: ‘poepen in de gang’.

‘Als bewoner van het genoemde wooncomplex aan de Kinkerstraat wil ik u opmerkzaam maken op het volgende: één van de bewoners vindt het nodig en kennelijk normaal om zijn behoefte te doen in de gang bij de boxen. Inmiddels zijn er camerabeelden veiliggesteld van deze poepende man. Nogal vreemd gedrag en daarbij ook de nodige vieze (stank-)overlast. Ik verzoek diegene die hiervoor verantwoordelijk is zelfstandig contact met mij op te nemen alvorens wij middels publicatie van betreffende camerabeelden bij bewoners zullen achterhalen wie deze man is. Hopende u voldoende te hebben ingelicht en tevens dat deze smerige handeling tot het verleden zal behoren, met vriendelijke groet.’

Uit de brief leidde ik af dat Dick (nog) niet wist wie de poeper was, dat in principe iedere mannelijke bewoner verdachte was, maar ook dat de politie in de persoon van Dick erbovenop zat en niet zou terugdeinzen om de beelden te publiceren. Waar, denk je dan. Op de politiewebsite? Of op televisie?

Ik woonde ooit in de wijk Bos & Lommer te Amsterdam. In onderhuur in het flatje van twee dansers die hun geluk in Amerika gingen beproeven. De een brak wel door, de ander niet, het deed hun relatie geen goed, maar dit terzijde.

Voor ik in dat ‘wooncomplex’ trok waarschuwden ze me voor twee dingen: een muizenplaag (niets aan te doen) en schijtende duiven op het balkon (ook niets aan te doen).

Dat van die bovenbuurman waren ze even vergeten.

Ik kwam onder een alcoholische vijftiger met een zwakke blaas te wonen. Iedere nacht kwam hij lazarus terug uit café Het Lommertje. Soms lukte het hem de plas op te houden, maar meestal kwam hij in het trappenhuis in de problemen. Je zou kunnen zeggen dat zijn timing bijna goed was, maar dan toch niet helemaal. Op een nacht betrapte ik hem terwijl hij tegen mijn voordeur plaste.

Wat zeg je dan?

„Hee!” zei ik.

„O, sorry”, antwoordde hij, alsof hij per ongeluk op mijn tenen was gaan staan.

Ik belde toen niet met de politie.

Dat deed ik een maand later wel toen hij met de benedenbuurvrouw, ook geen gemakkelijke, in een gevecht verzeilde nadat zij hem bij haar deur betrapte. Later hoorde ik dat de agenten hem niet mee wilden nemen naar het bureau omdat hij bij een eerdere arrestatie in het politiebusje had geplast.

De jacht is mooier dan de vangst, dat wijkagent Dick weet waar hij aan begint.

    • Marcel van Roosmalen