Leven zonder internet

Technologie

Carola Houtekamer Gereformeerden vinden ongefilterd internet net zo kwalijk als tv. Maar waar vertrouw je op? Op je geweten of de technologie?

Ik was negen toen ik voor het eerst in de bioscoop zat. Mijn moeder had ons meegenomen naar De kleine zeemeermin in een aftands filmzaaltje in Goes. Ik zat op het puntje van mijn stoel. Niet in de minste plaats omdat ik al jaren op school en in de kerk was gewaarschuwd tegen bioscoopbezoek. Heidens vermaak. Zondig. Wie sterft in de bioscoop, wist ik, heeft geen goed verhaal voor de troon van God. Het gaf wel een edge aan de avonturen van Ariël en Botje.

In mijn gereformeerde gezindte liepen de morele grenzen kaarsrecht door het medialandschap. Print en radio: goed. Televisie en bioscoop: slecht. Tuurlijk deed het ertoe wat je las of luisterde, maar zo was de wereld opgedeeld. Tot internet kwam. Dat chaotische, alomtegenwoordige internet. De kerk zag de snelle opmars van het verleidelijke medium en stelde het meteen gelijk aan tv-bezit. Internet ging in de ban.

Deze week bezocht ik weer eens mijn oude, reformatorische school in Goes. Ik was benieuwd. Het verbod had geen stand gehouden, zo bleek. De scholieren zitten vrijwel allemaal op internet en de wereld is een moreel complexe legpuzzel geworden.

Na het algehele veto bleek zakelijk internetgebruik al snel onvermijdelijk. Vooruit, dat mocht dan. Maar privé niet. Dat hield natuurlijk ook geen stand, jonge mensen hadden internet nodig voor studie. Internet kwam het huis in.

Een onvoorziene bijwerking was dat er ook meer tv werd gekeken. 40 procent van de tv-lozen –en dat is nog steeds het merendeel – doet dat nu via internet, bleek uit een enquête van het Reformatorisch Dagblad.

De officiële richtlijn van de zwaardere kerken is nu dat ‘open, ongefilterd internet’ net zo kwalijk is als tv. Internet vooruit, maar wel zwaar gecensureerd.

In die wet zit alleen een enorm gat: 3G. De scholieren op het Calvijn College zwaaiden vrolijk met hun ongefilterde mobieltjes. „Nee, mijn ouders hebben geen idee.” „Ja, ze weten het, maar ze vertrouwen me.” Er is geen houden aan.

De gereformeerde roboticaprogrammeur Peter Roest uit Hendrik-Ido-Ambacht kiest voor de frontale aanval. „Iedereen heeft het erover hoe gevaarlijk internet is, maar er gebeurt niks.” Vorige maand richtte hij de Vereniging zonder Internet op, „omdat internet tegen de Tien Geboden ingaat”. De club met zo’n twintig leden wil laten zien dat een leven zonder internet wél een optie is. „Ik koop ook gewoon een auto en ga met vakantie. Maar bankieren doe ik met formulieren en als ik op reis wil bel ik een reisbureau.”

Het is verleidelijk dit allemaal af te doen als koddige folklore. Kijk ze nou, onze eigen Amish in de polder.

Maar dat is niet helemaal eerlijk. Eerst: de gereformeerde gezindte is niet compleet anti-technologisch. De meesten hebben internet. En ze leunen tijdens het surfen voor hun geweten niet alleen op de vreze des Heeren – „toch het beste filter” – maar ook op de strenge reformatorische provider Kliksafe als poortwachter.

Ze hebben ook wel een punt. Veel gereformeerde ouders denken in ieder geval na over wat zijzelf en hun kinderen aan informatie consumeren. Ze slikken niet schouderophalend de nieuwste apps en diensten, maar ondernemen actie. Dat ze daarmee voortdurend hopeloos achter de feiten aanlopen, is niet sneu. Dat doen alle ouders.

En misschien is die club van Roest ook zo gek nog niet. De Vereniging zonder Internet pleit bij banken en bedrijven voor de optie om zonder internet zaken te kunnen doen. Ze vinden dat mensen niet gedwongen moeten worden iets te accepteren wat ze slecht of nadelig vinden. Niet gek voor bejaarden, analfabeten en mensen die iets te verbergen hebben. Of die het gewoon niet willen. Wie weet: straks ben jij ook lid.