Keihard werken alleen is niet genoeg om een topper te worden

Het is niet alleen de schuld van Anders Ericsson zelf, schrijft David Epstein in The sports gene. De Zweedse psycholoog Ericsson werd beroemd met zijn ‘10.000-urenregel’; vernoemd naar de oefentijd die nodig is om expert te worden in om het even wat. Handenvol boekenschrijvers gingen aan de haal met Ericssons publicatie uit 1993, waaruit bleek dat violisten gemiddeld 10.000 uur moesten oefenen om een internationaal podium te halen. Zo veel oefenen zou nodig zijn, maar ook volstaan, om een topper te worden.

David Epstein, redacteur van het invloedrijke Amerikaanse sportblad Sports Illustrated die milieukunde en journalistiek studeerde aan de Columbia University, kent vele sporters die het tegendeel bewezen. Neem Donald Thomas, een hoogspringer van de Bahama’s en genetisch bevoordeeld met enorme achillespezen als springveren. Na acht maanden training versloeg hij op het WK Atletiek van 2007 Olympisch kampioen Stefan Holm.

Het is slechts een anekdote, maar Epstein citeert ook tal van studies die een strikte interpretatie van Ericssons werk ondergraven. Topbasketballers en -hockeyers hadden aan gemiddeld 4.000 uur genoeg. Meester-schakers oefenden tussen 3.000 en 23.000 uur om hun niveau te bereiken.

Ericsson zelf heeft nooit precies aangegeven hoe groot de variatie was rondom het 10.000-uren gemiddelde van zijn violisten. Wel is duidelijk dat alle 30 ondervraagde musici waren toegelaten tot de prestigieuze vioolacademie van Berlijn. Epstein schrijft: „Een studie die zich beperkt tot van te voren geselecteerde performers heeft een hopeloos kleine kans om bewijs te vinden voor aangeboren talent”.

Keihard werken alleen is niet genoeg. Alleen al de elegante manier waarop dat in dit boek wordt aangetoond, maakt het de moeite waard. Anders dan voorgangers – zoals Daniel Coyle (The talent code) of David Shenik (The genius in all of us) – zoekt Epstein de nuance in zijn poging om de samenwerking van genen en oefening te ontrafelen.

In aparte hoofdstukken behandelt hij de ontdekking van genen voor ontwikkeling van uithoudingsvermogen, spiergroei en sprintcapaciteiten; stukjes van een ingewikkelde puzzel. Hij beschrijft hoe de combinatie afkomst en omgeving duurlopers heeft afgeleverd uit de hooglanden van Kenia en Ethiopië, sprinters uit Jamaica en langlaufers uit Finland.

Wetenschappers vertrouwen Epstein toe dat ze soms terughoudend zijn met het toeschrijven van prestaties aan genen. Hard werken benadrukken zou publicitair interessanter zijn. En onderzoek naar de samenhang tussen etnische afkomst en superieure prestaties ligt vaak gevoelig. De mix van trainen en genen is hoe dan ook zo gecompliceerd, dat de wetenschap „in de nabije toekomst niet in staat zal zijn om een ideale atleet te produceren”.

Misschien daarom experimenteert de door Epstein geportretteerde voormalig fotograaf Dan McLaughlin met zichzelf. McLaughlin is in 2009 begonnen met zijn omscholing tot professioneel golfer. Intussen heeft hij bijna de helft van de 10.000 benodigde oefenuren achter de rug. Of McLaughlin beschikt over het vereiste genenpakket om te slagen, is met de huidige stand van de wetenschap niet te voorspellen.

Maar dat genen bepalen hoe mensen op training reageren, staat vast. De ene atleet verhoogt zijn maximale zuurstofopname na vijf maanden op de hometrainer met de helft, bij anderen haalt diezelfde inspanning niks uit. Epstein noemt voorbeelden van atleten die van sport veranderden of hun trainingsprogramma aanpasten op basis van een analyse van hun spiervezeltype. In de toekomst worden dat soort keuzes vast vaker gebaseerd op genanalyse.

Michiel van Nieuwstadt