Het einde van het poptijdperk

Pop begon toen de hitparade werd ingevoerd en eindigt nu, in het digitale tijdperk. Motown was beter dan southern soul, vindt popjournalist Bob Stanley, en The Sweet net zo goed als Led Zeppelin.

De Engelse popjournalist Bob Stanley weet precies waar het mis ging met Todd Rundgren. Begin jaren zeventig was de Amerikaanse alleskunner Rundgren hard op weg een superster te worden, zoals een andere Amerikaanse alleskunner, Prince, een decennium later zou worden, schrijft Stanley in zijn meesterlijke en buitengewoon vermakelijke geschiedenis van de popmuziek Yeah Yeah Yeah. Maar Rundgrens optreden in 1973 in het Amerikaanse soulprogramma Midnight Special, waar hij zijn Top 5-hit ‘Hello, It’s Me’ speelde, gaf een onverwachte wending aan zijn loopbaan. Nadat het in mooie pakken gestoken Motownkwartet The Four Tops hem aankondigt als een zanger die niet alleen zijn eigen nummers schrijft en produceert, maar ook alle instrumenten bespeelt, verschijnt Rundgren in de gedaante van een pterosauriër. ‘De glitters boven zijn ogen zagen er uit als glimmende reptielenschubben en uit zijn schouders kwamen vleugels van veren’, schrijft Stanley. ‘Hij leek op een kruising tussen Ming the Merciless [de boef in de strip Flash Gordon] en een glam gecko.’

Maffe cult hero

Roerloos staarde het voornamelijk zwarte publiek van Midnight Special naar het blanke reptielenmens. ‘De fans van The Four Tops werden niet overtuigd’, schrijft Stanley met gevoel voor understatement. Zo veranderde Todd Rundgren binnen enkele minuten van een superster in opkomst tot een ‘maffe cult hero’, volgens Stanley de ‘meest vernederende status’ die een popmusicus kan hebben.

Het rare optreden van Todd Rundgren is slechts een van de vele mooie verhalen en anekdotes die Stanley vertelt in Yeah Yeah Yeah. De verhalen zijn het fundament voor zijn eigenwijze geschiedenis van de Amerikaanse en Britse (en een heel klein beetje Europees continentale) popmuziek.

Bob Stanley (1964), die ook de oprichter en bassist van de nog altijd actieve Britse popgroep Saint-Étienne is, heeft uitgesproken opvattingen: niet rock en albums maar hits en singles vormen het hart van de popmuziek. Yeah Yeah Yeah begint daarom in 1952 toen Groot-Brittannië zijn eerste hitparade kreeg en vertelt vooral de geschiedenis van de hitmuziek en minder die van de serieuze, pretentieuze rock. Aan grote rockbands als Led Zeppelin wijdt Stanley bijvoorbeeld nauwelijks meer woorden dan aan The Sweet, de nu vrijwel vergeten Engels hitgroep van omstreeks 1970. ‘Zo camp als Kerstmis, maar beslist magisch’, noemt Stanley The Sweet. ‘Het werd pas minder toen de groepsleden hun eigen nummers gingen schrijven en besloten een tweederangs Led Zep te worden in plaats van een eersterangs Sweet.’ Over U2, eind jaren tachtig de ‘grootste band ter wereld’, schrijft hij slechts een paar alinea’s waarin hij zijn weerzin tegen de megalomanie van de Ierse band niet verbergt: ‘Er komt een dag dat iemand Bono uitlegt dat pop altijd expressiever is als het een gebroken hart heelt dan als het de wereld probeert te redden.’ Coldplay, de groep die wordt beschouwd als een van de belangrijkste rockbands van nu, noemt hij maar één keer terloops. En over Radiohead schrijft hij niet meer dan dat de band als erfgenaam van suffe dad rock ‘bedmuziek’ maakt en dat zanger Thom Yorke in foetushouding zingt.

Door Stanleys nadruk op hits lijkt Yeah Yeah Yeah op How The Beatles Destroyed Rock ‘n’ Roll van de Amerikaanse muziekhistoricus Elijah Wald uit 2009. Ook voor Wald draait het in popmuziek meer om hits dan om de vernieuwingen van avant-gardisten en is bijvoorbeeld de als braverik bekend staande Bill Haley een zwaar ondergewaardeerde pionier die eerder dan Elvis Presley rock ‘n’ roll maakte. Het grootste verschil met Walds popmuziekgeschiedenis is dat Yeah Yeah Yeah niet eindigt met The Beatles. Weliswaar vindt Stanley, net als Wald, dat de Beatles met Sgt Pepper’s Lonely Hearts Club Band de popmuziek veranderden en het pad effende voor rock, waarvan de makers en liefhebbers neerkijken op ‘commerciële’ muziek. Maar The Beatles betekende niet het einde van de hit- en dansmuziek, zo laat hij uitgebreid zien. Zo werd Motown, de hitfabriek in Detroit uit de jaren zestig, waaraan hij een schitterend en van bewondering druipend hoofdstuk wijdt, opgevolgd door een soortgelijke muziekfabriek in Philadelphia. In de studio’s van Philadelphia International Records maakten The O’Jays en The Three Degrees onder de strenge leiding van de componisten/producers Leon Huff en Kenneth Gamble in de jaren zeventig de ene na de andere rijk georkestreerde soulhit. Op zijn beurt ging de zoete Philly soul in de tweede helft van de jaren zeventig over in disco, ook een genre waarop rockcritici neerkijken, maar dat in Yeah Yeah Yeah zelfs twee hoofdstukken heeft gekregen.

Ten einde

Zoals eerder The Beatles deden veranderde disco ook de popmuziek, schrijft Stanley: ‘Hoewel disco uiteindelijk sneller ten onder ging dan welke grote poptrend ook, heeft het voorgoed de manier veranderd waarop pop werd gemaakt. Voor het eerst werd de puls de belangrijkste factor in een hitplaat en die is niet meer verdwenen.’ Disco was bovendien niet de muziek van muzikanten maar van producers als Giorgio Moroder. Het mondde ten slotte uit in de huidige dance waar dj’s die geen noot kunnen spelen op laptops hun muziek in elkaar knutselen.

Niet met The Beatles maar nu pas, in het digitale tijdperk, is het poptijdperk ten einde, betoogt Stanley in zijn sombere slothoofdstuk. In 1992, aan de vooravond van internet, was de popcultuur, ondanks de opkomst van de cd in de jaren tachtig, sinds de jaren zestig nauwelijks veranderd. Nog steeds werd de popmuziek beheerst door hitparades, poptijdschriften en radio- en tv-programma’s. Maar in het digitale tijdperk is dit allemaal drastisch anders. Popbladenzijn opgeheven of leiden een kwijnend bestaan. Popprogramma’s op tv zijn er nauwelijks meer – MTV zendt al jaren vooral reality tv uit. Hitparades bestaan nog wel, maar hebben nauwelijks betekenis. Ze zijn het doelwit van marketingcampagnes waardoor nummers van boy groups als Westlife telkens van niets op nummer 1 binnenkomen, iets dat in het poptijdperk alleen fenomenen als Elvis en The Beatles was gegeven. Hierdoor zijn hits nietszeggend geworden en vormen ze niet meer het fundament van de popcultuur.

Ook de consumptie van popmuziek is veranderd. Nummers worden nu vooral gedownload en afgespeeld op een computer of iPod. Bovendien is ook bijna alle oude muziek nu downloadbaar en onderdeel geworden van het ‘permanente heden’ op internet. Zo is de huidige popmuziek nu eindeloos gefragmenteerd en heeft de popcultuur de gemeenschappelijke basis, hits die iedereen op een of andere manier kent, verloren.

De onmiddellijke beschikbaarheid van popnummers heeft ook gezorgd voor een andere verhouding tot muziek. Downloads vergen nauwelijks inspanning en leiden daardoor tot een minder sterke emotionele band met de muziek dan wanneer je je best moet doen om een plaat te krijgen, vindt Stanley. Popmuziek is hierdoor minder belangrijk geworden in het leven van jongeren. ‘Vijftig jaar lang werd popmuziek zo gemaakt en geconsumeerd’, schrijft Stanley. ‘Je hoorde een plaat op de radio of las erover in een muziektijdschrift; je kocht die op zaterdag; je leende die, of tapete die voor vrienden en zij gaven je een andere plaat terug. Het was een geheim netwerk. Zo maakte je vrienden, ontmoette je meisjes en maakte je de soundtrack van de wereld.’ In het digitale tijdperk is het geheime netwerk opgerold.

    • Bernard Hulsman