Het

afscheid

van Ferry

Den Haag

Tom-Jan Meeus Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Ferry Mingelen, de duider die moest vertrekken – maar overigens gewoon blijft. Ofwel: symbool van een Haagse journalistieke vorm die moet vechten om zijn voortbestaan.

illustratie hajo

Het is de tijd van het terugblikken, dus laat ik even mijn inzendinkje voor de politieke persoon van het jaar geven: Ferry Mingelen. Ferry Mingelen – je hebt zo veel mensen en dingen die voorbijgaan aan het Binnenhof, je hoort nooit meer over Wolffensperger of Voorhoeve, zelden vallen de namen Bleker of Buurmeijer nog, zelfs het heimwee naar de groene bankjes vind je alleen terug bij mensen die hier, zeggen ze, in 1972 al waren.

En het grappige is: Ferry Mingelen, die hier al sinds 1970 is, gaat nog steeds over de tong.

Toen ik dinsdagavond een paar uur met hem sprak over journalistiek en politiek, in Bodega De Posthoorn aan het Lange Voorhout, een locatie waarvan hij genoot, viel vooral op dat het verleden hem nogal weinig bezighield. Geen behoefte aan, zei hij. Zwak geheugen. En: er veranderde minder dan het vaak leek.

„Wat nu framing heet”, zei Ferry Mingelen in die licht geaffecteerde dictie van hem, „noemden ze vroeger handige pr”.

De avond tevoren was zijn officiële afscheid bij de NOS geweest. Hij had iets meer bier gedronken dan goed voor hem was, zei hij, met de nadruk op iets – Ferry Mingelen was nu eenmaal een man van matigheid.

Dat afscheid, dit was bekend, had van hem niet gehoeven. In feite was hij zo’n man waar beleidmakers hoog van opgeven: de 65plusser die graag doorwerkt. Zelfs toen Nieuwsuur dit jaar definitief koos voor zijn opvolger, vertelde hij, had hij nog „de stille hoop” dat hij zijn politieke duiding in een ander hoekje van de publieke omroep kwijt kon. „Iets bij de radio, Het Oog, weet ik wat”, zei hij. Niet dus. Een zuur moment. „Politieke journalistiek is nu eenmaal een manier van leven.”

De ironie is intussen dat Ferry Mingelen helemaal niet weggaat. Hij wordt in het nieuwe jaar politiek duider, zoals hij dit noemde, bij Pauw & Witteman. Een rol met potentieel meer invloed dan die van onpartijdig analist van Nieuwsuur. Ook krijgt hij een wekelijkse politieke column in een aantal regionale kranten.

Hij is onderdeel van een trend. Femke Halsema (GroenLinks) vertrok – maar heeft zo veel Twittervolgers dat ze elk moment een positie in een debat kan claimen. In mindere mate geldt dit ook voor mensen als oud-Kamerlid Arend Jan Boekestijn (VVD) of oud-hoofdredacteur Hans Laroes (NOS Journaal). Tv- en twitterbekendheid als maatschappelijk kapitaal. Instrument van blijvende potentiële invloed: wie zijn positie verlaat of verliest hoeft niet langer te verdwijnen.

Hoe dit bij Ferry Mingelen zou uitpakken, och, dat wist hij nog niet zo. Hij was geen man, vertelde hij, die veel vooruitkeek. Reflectie was zijn fort niet. Hij had gemerkt dat je aan zo’n televisietafel „korter en scherper moet formuleren”. Dus hij zou vermoedelijk „iets meer vrijheid” nemen dan bij Nieuwsuur. Alles in het voorzichtige. Hij was niet van plan, zoals Frits Wester soms, te discussiëren met politici. „Ik ga niet scoren met opinies.”

Die onpartijdigheid, dit kon je merken, was geen maniertje. Hier draaide het om. Dit maakte hem de laatste jaren ook bijzonder: in een politieke en mediacultuur die controverse beloonde, zeker op televisie, hield hij zich verre van kloeke optredens of opvattingen.

Hij was geen vrienden met politici, hij ging nooit met ze drinken of eten. Hij kon zo afstandelijk zijn dat politici, met hun natuurlijke drang de feiten te politiseren, zich aan hem ergerden: ze konden hem nooit even snel in hun spel betrekken.

Hij vertelde hoe hij op een willekeurige dag werkte: beetje rondwandelen, „alles opslurpen”, en zich om een uur of negen aan een tekstje van „47 seconden” zetten dat hij uit het hoofd voordroeg. Zijn analyse van de dag. „Niets bijzonders”, dacht hij.

Zo vertegenwoordigde hij ook een Haagse journalistiek die langzaam aan het verdwijnen is: altijd het redelijke blijven zoeken, steeds het midden willen houden. Een onnadrukkelijke man, werkzaam voor een medium dat hij „emotioneel” noemde, omgeven door collega’s die geen hekel aan aandacht hadden – en dan zelf nooit behoefte hebben de bink uit te hangen. Dat was hij. „Ik heb een enorme hekel aan mensen die zich groter voordoen dan ze zijn.”

43 jaar terug begon hij op het Binnenhof bij Trouw, sinds begin jaren tachtig deed hij televisie, en na ons gesprek concludeerde ik dat iets van die verzuilde christen- democratische cultuur nog in hem voortleefde: de kunst het pijnlijke onbenoemd te laten. De zoon van een vader die verzekeringen verkocht. Voorkomend voor iedereen. Critici complimenteren en daarmee vragen over „lastig gedoe” in zijn tv-loopbaan omzeilen.

Hij was nooit „een diepgraver” geweest, vertelde hij, maar had al bij Trouw gemerkt dat hij „een instinct voor politiek” had. De taal, de ruimte die bewindslieden en Kamerleden creëren met formuleringen. Als hij een politicus „nu niet” hoorde zeggen dacht hij meteen: „straks wel”. Dit soort dingen „duiden” ging hem goed af. Al was presenteren een eenzaam beroep. „Elke fout maak je zelf.”

De „onrust van de politiek was overgeslagen naar de journalistiek”, dat zag hij wel, maar je deed er weinig aan. De wereld wordt sneller, televisie belangrijker, verzet is zinloos. En journalistiek wordt nooit wetenschap. „We hebben geen tijd eindeloos te delibereren.”

Over sommige ontwikkelingen in zijn vak had hij wel vraagjes. De gewoonte om pas iets te melden als je twee bronnen had is in het internettijdperk aan het verdwijnen. „Dan zeggen ze: als het niet klopt zetten we dat er straks gewoon op.” Dat was „niet mijn idee van journalistiek”.

Veranderingen in de politiek werden in zijn ogen vaak verkeerd geïnterpreteerd. Onder het meest linkse kabinet dat hij versloeg, Den Uyl (’73-’77) had ‘links’ („D66 inbegrepen”) 65 zetels, vertelde hij. Onder het meest rechtse kabinet van zijn loopbaan, Rutte I, kwam ‘links’ uit op 67 zetels. „Het verschil is de tijdgeest.” Die heeft „een grotere invloed op partijen, ‘links’ en ‘rechts’, dan ze zich vaak zelf realiseren”.

Den Uyl stond hoog op zijn lijstje van beste premiers, vooral wegens „zijn begeestering” en redding van de monarchie na ‘Lockheed’. Maar door diens onvermogen zijn eigen PvdA te trotseren in de formatie van 1977 schaalde hij hem lager in dan Kok en Lubbers. Kok (’94-’02) vond hij „erg goed, een vakman en staatsman”. Lubbers was voor hem onbetwist de beste. De diepte van de economische crisis die hij in 1982 aantrof, de finesse waarmee hij de verdeeldheid in het CDA over kernwapens oploste, zijn vermogen termijnen met de VVD én de PvdA vol te maken: „Echt fantastisch.”

Rutte, dit wordt wel vergeten, trad in een „economisch makkelijkere tijd” tijd aan dan Lubbers, zei hij. Als „makelaar” past de VVD-premier voortreffelijk in deze tijd, zei Ferry Mingelen, maar zijn generatie – Pechtold en Samsom meegerekend – „heeft nog niet het staatsmanschap van Lubbers en Kok laten zien”. Ze zijn jonger en soepeler, zei Ferry Mingelen, maar „hun natuurlijke aanzien” was lager. „Ik denk niet dat ze Lubbers of Kok in de wandelgangen even hadden toegeroepen: ‘Nog geneukt vandaag?”’

Ferry Mingelen had gezien dat Geert Wilders hem op zijn laatste werkdag bij PowNews een goed cijfer gaf: hij „had het niet onverdienstelijk gedaan”. De PVV was „misschien niet mijn favoriete partij”, zei Ferry Mingelen, maar „zolang het geen boeven of moordenaars zijn hebben alle politici recht van spreken”. Hij was er ook voorstander van geweest dat de partij in 2010 ging regeren, en het had voor Wilders prima af kunnen lopen „als hij niet de pech had gehad dat er bovenop die 18 miljard nog extra bezuinigd moest worden”.

Maar los daarvan: het feit dat Wilders hem complimenteerde, dat deed hem iets, dat vond hij mooi. „Dat ze ook in die kringen concluderen: hij is altijd redelijk en onpartijdig gebleven”, zei hij, met exact de blik en het timbre dat je terugzag op televisie. Er was, zo te zien, werkelijk niets gespeeld aan.