Guy & Roni, NDT, Bloedbruiloft

Joyce Roodnat

Kunst invliegen? Het buitenland strijkt hier al graag neer, deelt zijn talent en verrijkt ons.

In de Utrechtste schouwburg kolkt de zaal voor danstheatergroep Club Guy & Roni. Ik kolk mee. Naked Lunch heet het stuk, een antwoord op de doperoman uit 1959 van beat poet William Burroughs. Dat boek heb ik nooit uit kunnen lezen, maar de potentie ken ik dankzij David Cronenberg. Hij deformeerde het in 1991 tot een film met als kern de hallucinaties van een junk annex schrijver annex ongediertebestrijder. In die film ontpoppen zich twee schrijfmachines tot neukende kakkerlakken, en meer van zulke briljante smeerlapperij. Ik bedoel maar.

Club Guy & Roni tackelt Naked Lunch via Burroughs’ echtgenote. Zij stierf in Mexico, door hem omgelegd bij een dronken Wilhelm Tell-spel. (Hij mikte op de cocktailshaker op haar hoofd, maar schoot te laag.) In de visie van Guy & Roni beseft ze niet dat ze dood is. Belaagd door tomeloze krachtfiguren wankelt ze door een vagevuur van dansers, zangers, acteurs, muzikanten. Het publiek golft op de ruige mix van theater en dans. Gemaakt door een internationaal toegejuicht gezelschap, met standplaats Groningen. Geleid door Guy Weizman en Roni Haver, Israëlische wereldburgers die Nederland kozen om te nestelen en daar ben ik trots op.

In Den Haag ga ik plat voor The Missing Door, een dansstuk dat de Argentijnse choreografe Gabriela Carrizo maakte voor het Nederlands Dans Theater. Het is gedrenkt in het surrealisme volgens de filmer Buñuel. Hysterisch. Zwartgallig. Verrukkelijk.

Het maakt deel uit van een programma waarin ook het stuk Skipping over Damaged Area wordt uitgevoerd, van het choreografenduo Paul Lightfoot (een Brit) en Sol Leon (Spaans). Over de vrees en drift van de dementerende mens gaat het, in paniek omdat hij de controle verliest. Het wordt superieur uitgevoerd, ook door de danser van wie je dat niet in eerste instantie merkt doordat hij gedurende het complete stuk een razende monoloog uitspuugt. Intussen zit ik me trouwens al te verheugen op Sleeping Beauty van Het Nationale Ballet. Nog een stuk of wat nachtjes slapen, dan mag ik. Ik ben de enige niet, de kaartverkoop gaat hard, nog voor de voorstellingen van start gingen, waren ze al bijna uitverkocht.

En dan lees ik in een stuk op de opiniepagina van deze krant dat Nederland te klein zou zijn voor al die dansgezelschappen. Dat schrijft een lid van de Raad voor Cultuur, tevens directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het idee dat hij lanceert heet ‘invliegen’. Hij stelt dat Het Nationale Ballet overbodig zal zijn zolang er af en toe een voorstelling van de klassieke balletgezelschappen uit Parijs of Sint-Petersburg wordt geïmporteerd. Zwanenmeer is Zwanenmeer, suggereert hij. Wat niet waar is en terwijl hij best weet (of zou moeten weten) dat bijvoorbeeld Hans van Manen zijn genie kon ontwikkelen dankzij Het Nationale Ballet. Dat er in hun Junior Company opmerkelijk veel talent zit, waar het publiek opgetogen op reageerde. Om het ruimer te nemen, de dans is nou net een tak van kunst waarin Nederland uitblinkt en die dans ontwikkelt zich in volle vaart.

Dans hoeft niet te worden ingevlogen, buitenlandse choreografen en dansers strijken hier rijkelijk en uit vrije wil neer. Zij delen hun talent met ons. Zij verrijken ons, en de rest van de wereld – in die volgorde.

Invliegen? Kan best. Dat doet de Amsterdamse schouwburgdirecteur het aanstaand seizoen zelf ook, met vermaard Duits theater. Vind ik fijn. Maar de hemel verhoede dat die paar Duitse voorstellingen wisselgeld zouden zijn voor wat het Nederlandse toneel ons biedt. Ook in de beeldende kunst is invliegen aan de orde van de dag, met mooie exposities als gevolg, nu bijvoorbeeld van Malevitsj in het Stedelijk Museum. Het bioscoopaanbod wordt zelfs bijna volledig ingevlogen. Wie naar de film gaat, gaat meestal naar een buitenlandse film. Maar dat betekent niet dat de Nederlandse film geschrapt kan worden. Het Diner en Soof zouden deerlijk gemist worden, ook al trekken ze veel minder publiek dan Gravity of La grande bellezza (‘moeilijke’ film, maar daar zit het publiek niet mee: 80.000 bezoekers and counting!).

In een kleine theaterzaal ontrolt zich Bloedbruiloft. De jonge Vlaamse theatermaker Julie Van den Berghe kneedde dat overbekende repertoirestuk van Lorca uit 1933 tot iets wat ik er nooit in heb gezien. Telkens weer stelt ze de personages op als een familieportret. Verstarde mensen, gevangen in de rol die het leven hun oplegde. Het stuk ging over wraak, nu loeit het ineens van drift en van driften.

    • Joyce Roodnat