Een vaderlijke les

Ik droomde dat ik tegen Willem Frederik Hermans schaakte en dat ik verloor doordat hij vals speelde. We speelden in het statige Amsterdams Schaakhuis aan de Henri Polaklaan, dat in mijn jeugd het hart van het Amsterdamse schaakleven was, maar waar de schakers al lang geleden verdreven zijn.

Tegen Hermans stond ik erg goed en ik had net een paard in een dreigende positie gebracht. Tevreden ging ik wat door de zaal wandelen.

Toen ik terugkwam bij mijn bord, zag ik dat Hermans mijn paard geslagen had. Hij was er niet meer, maar had wel op een leitje met krijt een paar varianten opgeschreven die lieten zien hoe hij zou winnen. ‘Hermans is hier geweest’ heet een van zijn novelles.

Ik ging naar de wedstrijdleider om de partij op te geven en pas daarna besefte ik dat Hermans mijn paard illegaal op een ander veld had gezet, waar hij het gewoon weg kon nemen. Te laat, want ik had al opgegeven.

De droom kwam misschien doordat ik de dag daarvoor een artikel had gelezen over een andere schrijver, Norman Mailer, waarin stond dat bewonderde schrijvers vaak een soort vaderfiguur zijn voor de bewonderaar. Ik had me toen afgevraagd hoe dat bij mij was. Vladimir Nabokov, nee, die was voor mij geen vaderfiguur, maar Hermans misschien wel.

‘Mooie vaderfiguur, met zo’n trucje’ dacht ik eerst toen ik nog wat nadacht over de droom. Maar misschien had hij me juist een nuttige vaderlijke les willen leren; dat je nooit te goed van vertrouwen moet zijn.

Hermans zei eens in het weekblad HP/De Tijd dat hij, als hij schaker zou zijn, daar mee op zou houden zodra hij besefte dat hij geen wereldkampioen kon worden.

Gelukkig maar dat niet iedereen er zo over denkt, want tegen wie zouden de wereldkampioenen dan moeten spelen? Ze zouden het lot delen van twee schakers over wie Evert Straat eens schreef – ik geloof dat ze in Overijssel woonden – die bij gebrek aan behoorlijke tegenstand bij hen in de buurt, ieder jaar tegen elkaar een match speelden om het kampioenschap van Groenland.

Hermans schaakte wel eens toen hij jong was, maar hij is er inderdaad snel mee opgehouden. De partij hieronder en ook de opgave zijn het werk van twee grote schrijvers die zich niet lieten weerhouden door het inzicht dat ze nooit wereldkampioen zouden worden.

Toergenjev heeft wel eens beter gespeeld dan hier, maar misschien was hij geïntimideerd, want Kolisch was een van de sterkste spelers van de wereld. Bij het grote toernooi van Baden-Baden 1870 troffen ze elkaar weer, niet als spelers maar als organisatoren. Toergenjev was daar vice-president van het organisatiecomité en Kolisch secretaris. Prins Michail Sturdza van Moldavië was president van dat comité.

Later werd Kolisch als bankier schatrijk en in 1881 werd hij tot Baron von Kolisch verheven. Als rijke weldoener heeft hij veel voor de schaakmeesters gedaan.

Ivan Toergenjev – Ignatz Kolisch, Baden-Baden, ± 1861

1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. Lc4 Pf6 4. Pg5 d5 5. exd5 Pa5 6. d3 Een zet van Kieseritzky en Morphy die in onbruik is geraakt. 6… h6 7. Pf3 e4 8. De2 Veel later maakte wit er in Bronstein – Rojahn, olympiade 1956, nog iets leuks van met het stukoffer 8. dxe4. 8…Pxc4 9. dxc4 Lc5 10. Pfd2 0-0 11. h3 Wit stond al bedenkelijk en dit tempoverlies kan zijn stelling niet verdragen. 11…e3 12. fxe3 Lxe3 13. Kd1 Te8 14. Df3 Lxd2 15. Pxd2 c6 16. b3 cxd5 17. Lb2 Pe4 18. c5 Dg5 19. Lc1

Zie diagram boven

19…Dxg2 20. Tf1 Pc3+ 21. Dxc3 De2 mat.

    • Hans Ree