De ophef over discriminatie is breed

Over discriminatie wordt al langer geklaagd, maar de brede ophef is nieuw.

Je mag het niet zeggen, en we willen niemand beledigen, maar Mart Smeets had wat doms gedaan. Hadden we in twee maanden tijd het ene na het andere racistische relletje gehad, blijkt tot Smeets’ verbazing dat iedereen over hem heen valt als hij een portretschilder een ‘bestraffende Amstelveens Joodse manier van kijken’ toedicht. Columniste Sylvia Witteman bewaart haar grappen over Anne Frank tenminste voor thuis, zo onthulde zij zaterdag in een interview in de Volkskrant. Zij dacht dat ze daar veilig zat, maar nu heeft zij een boze Leon de Winter tegenover zich. En dan hadden we Gordon met zijn Chinezengrappen en Jack Spijkerman en Nico Dijkshoorn met hun negergrappen al gehad.

Waar komen ineens al die racistische grappen en opmerkingen op televisie en op Twitter vandaan? Zijn blanke Nederlanders prikkelbaar door het zwartepietendebat? Of moet het racistische er gewoon even uit, nu de Ombudsman Nederlanders als zodanig heeft bestempeld?

Nee, dit is al langer al aan de gang, over de bruuske bejegening van minderheden wordt al langer geklaagd. Nieuw is dat deze zaken het überhaupt tot mediarelletjes schoppen. Nieuw is dat De Telegraaf Mart Smeets op de voorpagina op het matje roept.

Waarschijnlijk heeft het zwartepietendebat er inderdaad mee te maken. Voor het eerst luisterde de blanke meerderheid naar de klachten hierover van de zwarte minderheid. Misschien werd zij daarmee ook ontvankelijker voor vergelijkbare klachten.

In genoemde relletjes moet een onderscheid worden gemaakt tussen humor en ernst. De ernstige opmerkingen kun je weer opsplitsen in welgemeend racisme – stagiair afgewezen op zijn huidskleur: „’t Is niks, is een donker gekleurde (neger)” – en in gelegenheidsracisme: je bent kwaad en wil iemand zo effectief mogelijk beledigen. Mart Smeets is een goed voorbeeld van gelegenheidsracisme. Smeets voelde zich beledigd door een portret van hem – met onderkin – en pakte de schilder terug op zijn Joodse afkomst. Waarschijnlijk omdat dat het eerste is wat in hem opkwam. Hij had ook ‘met je glazen oog’ kunnen zeggen.

Humor is anders. Ook hier kun je het onderscheid maken tussen welgemeend of niet, maar doorgaans geeft de komiek in zijn grappen juist niet expliciet zijn mening. Hij overdrijft of wil zelfs het tegenovergestelde beweren. Volgens Youp van ’t Hek – die in zijn NRC-column op de kwesties inging – bestaan er slechts twee soorten grappen: goede en slechte. De kwaliteit van een grap hangt enigszins samen met de morele inhoud. Goede grappen zoeken vaak de morele grens op: de komiek doet of zegt iets ongehoords. Dit, gevoegd bij de overdrijving, zorgt voor de lach. Als de grap te ver over de grens gaat, verstomt de lach. Een slechte grap heeft veel eerder die grens bereikt en de veroordeling is vervolgens vernietigender. Kans is zelfs dat de grap niet eens als grap wordt herkend. Zoals Jack Spijkerman, die tegen Humberto Tan in diens talkshow zei dat hij „niet alleen donker, maar nog dom ook” is.

In een essay bij de dvd van Micha Wertheim voor de grap (2011) maakt de cabaretier een onderscheid tussen satirici en amuseurs: „De satiricus verzamelt een groep om zich heen en drijft hem dan weer uiteen.” Als hij dat laatste niet doet, zo stelt Wertheim, is hij slechts een amuseur. Volgens hem kun je het publiek verenigen door bijvoorbeeld Amerikanen of Duitsers te beledigen, of gewoon één bezoeker eruit te pikken en hem stevig te kleineren. Maar dan ben je wel populistisch bezig.

Bij dat uiteen drijven van het publiek gaat het wel vaker mis. Het idee is dat de komiek het publiek confronteert met de eigen duistere gedachten door foute grappen te maken. De Amerikanen en Duitsers die Wertheim noemt zijn daarvoor te vrijblijvend. Beter is het om de moslims te pakken. Een deel van het publiek vindt dat niet kunnen, en een ander deel wel. Een derde deel moet er nog even over nadenken: meent hij het? En wat vind ik zelf? Gaat het publiek mee of niet? Ongemakkelijk en dus spannend.

Wie mogen wel grappen over minderheden maken, en wie niet? NRC-columnist Maxim Februari stelt dat dit een klassenkwestie is: Gordon mag geen Chinezen beledigen, want dat is een volkse marktkoopman. Youp van ’t Hek mag wel minderheden beledigen (dames in de overgang, homo’s), want die komt uit ’t Gooi en staat in NRC.

De elite, zo stelt Februari, plaatst zichzelf boven de moraal: wij zijn goed, wij zijn antiracistisch, dus wij mogen grappen wat we willen. Kanttekening bij Februari: de ophef over racistische grappen is juist opvallend breed; niet aleen een kwestie voor de elite, maar ook voor het brede Telegraafpubliek.

Bij de waardering van een grap speelt mee: wie kun je vertrouwen? Als een komiek een grap over minderheden maakt, dan moet je erop kunnen vertrouwen dat hij het niet meent, dat hij eigenlijk bedoelt: erg hè, dit soort gevoelens. En je moet erop kunnen vertrouwen dat de rest van het publiek ook denkt: erg hè. Wanneer je vermoedt dat de meeste mensen om je heen moslimhater zijn, dan zijn moslimgrappen niet grappig grensoverschrijdend meer.

Elf jaar geleden – een paar maanden voor de moord op Pim Fortuyn – kon Freek de Jonge nog choqueren met de grap: „Natuurlijk zijn niet alle moslims een gevaar voor het Westen; alleen die 350 miljoen die ons de strot willen afsnijden”. Dat was nog in de tijd dat Nederlanders konden geloven: wij zijn geen racist. In de tien jaren daarna – het tijdperk Wilders – werd zo’n opmerking niet eens meer als grap herkend, laat staan als foute grap. Mede dankzij De Jonge. Of hij het nu meende of niet.

Gezien de recente ophef over de racistische grappen is die tijd blijkbaar een beetje voorbij.