Opinie

    • Marike Stellinga

De krimpende waarde van westerse arbeid

Loon, oftewel de waarde van arbeid, oftewel de verdienkracht van eenvoudige banen, economen en politici in het Westen maken zich er zorgen over. Barack Obama wil het minimumloon in de VS drastisch verhogen, van 5,25 naar 7,30 euro per uur, een niveau dat vergeleken met West-Europa nog laag is. Driekwart van de Amerikanen steunt hem.

De nieuwe Duitse regering voert voor het eerst een minimumloon in, van 8,50 euro per uur. In Groot-Brittannië, dat sinds 1999 een minimumloon heeft van 7,50 euro per uur, zoeken politici van oppositiepartij Labour naar manieren om bedrijven meer te laten betalen voor eenvoudige banen. Hier in Nederland (minimumloon 9,47 euro per uur) maakt PvdA-minister Lodewijk Asscher zich zorgen over de mogelijke komst van Bulgaren en Roemenen als binnen drie weken de grenzen voor het eerst volledig voor deze nieuwe arbeidskrachten opengaan. Want wat zijn de gevolgen voor Nederlandse werknemers in de laagstbetaalde banen? Intussen maken economen zich druk over het dalende beschikbare inkomen per huishouden, van 35.486 in 2001 naar 35.156 in 2012, blijkt uit het rapport De sociale staat van Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Het zijn allemaal aspecten van dezelfde zorg: valt er aan de onderkant van de arbeidsmarkt, de kant waar de laagste lonen worden betaald, nog wel genoeg te verdienen voor een behoorlijk bestaan? Het is een vraag die veel verder reikt dan deze crisis.

Van de economische groei gaat in grote delen van het Westen al decennia een steeds kleiner deel naar arbeiders (Nederland is overigens een uitzondering op die regel). De arbeidsproductiviteit groeit sinds begin jaren tachtig sneller dan de lonen. Intussen krimpt het zogeheten midden van de arbeidsmarkt. De Verenigde Staten lopen voorop in deze trend, die in Europa nu begint. Er ontstaat een steeds sterkere tweedeling tussen hoogopgeleiden en de rest. Er is minder werk voor mensen met redelijke, maar geen hoge scholing (denk in Nederland aan mbo’ers). Ze vallen naar de onderkant. De voornaamste oorzaak is goedkope en steeds krachtigere technologie die hun werk overneemt. Tyler Cowen, een rijzende ster onder Amerikaanse economen, schreef er twee boeken over: The Great Stagnation en Average is over. Als je vaardigheden intelligente machines aanvullen, dan ben je een winnaar op de arbeidsmarkt, concludeert hij. Als je vaardigheden met de machine concurreren, dan zul je die wedstrijd verliezen. Denk aan: boekhouden, data analyseren, administratief werk. Voeg daarbij de concurrentie vanuit lagelonenlanden en je snapt waarom arbeid een steeds kleiner deel van de koek krijgt.

Wat te doen? Tja, misschien toch maar een hoger minimumloon invoeren, concludeerde het Britse weekblad The Economist met enige moeite deze week. Dat zorgt vaak voor een verhoging van alle lonen. Het is lastig, want bescherming door de overheid kan ook banen doen verdwijnen. Of het nou gaat om bescherming in de vorm van een minimumloon of in de vorm van allerhande regels.

Leid je volk zo hoog mogelijk op, adviseren economen. Belast arbeid zo min mogelijk. Belasting maakt arbeid minder aantrekkelijk voor werknemer én werkgever. Zorg ervoor dat minima geen sociale premies hoeven af te dragen. Maak het brutominimumloon dus gelijk aan het nettominimumloon. Dan kun je het brutoloon zelfs verlagen. Grote kans dat het leidt tot extra banen, en minima verdienen meer.

Eén ding is zeker: wie deze analyse maakt, kijkt toch met andere ogen naar het verzet in de Tweede Kamer deze week over een sociaal leenstelsel voor studenten aan hbo-opleidingen of universiteiten. Zij zijn de toekomstige winnaars op arbeidsmarkt. Juist zij behoeven geen bescherming of subsidie van de overheid, zou je denken.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie

    • Marike Stellinga