De Gesmolten Emmer D

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een verhaal van

Hanneke Hendrix

.

Voor Het groot kerstverhalenboek schreef zij over een jonge man met een ‘kutkerst’, die besluit om van een brug te springen. En het is géén Amerikaanse kerstfilm, dus hij wordt níét gered door een engel.

e avond dat ik van de brug sprong ijzelde het. Het was nog een takkewerk om überhaupt heel bij die brug aan te komen, onderweg was ik door het slippen een paar keer bijna met mijn kloten op de stang van mijn fiets geknald. En dan begin ik nog niet eens over hoe ik over de reling moest klimmen om op het uitstekende betonnen stukje te komen, zodat ik tenminste nog een beetje privé mezelf van kant zou kunnen maken. Je breekt je nek door één of ander sukkelig ongeluk nog voordat je kruin het koude water ook maar met een haar aanraakt. Dat haat ik nog wel het meest van het leven: dat er voortdurend kansen zijn dat je jezelf per ongeluk van kant maakt.

Ik zat aan de bar en naast me zat een vaste gast die ze achter de bar stiekem De Gesmolten Emmer noemen. Zijn gezicht ziet eruit als een oud leren zadel, en ik heb ze die dag erover horen overleggen, de dag dat ze zijn bijnaam verzonnen: of ze hem Het Leren Zadel of De Gesmolten Emmer zouden gaan noemen. Maar ze kozen De Gesmolten Emmer. Het Leren Zadel heeft nog iets fiers, hij draagt gewoon beige ribbroeken en in de winter een trui en in de zomer een overhemd met een borstzakje. Ja, hij kan met één hand een sjekkie rollen, dat is misschien wel een beetje cowboy-esque. Maar ja, wat weet ik daar nu weer van, van cowboys.

Hij was leraar Engels, vertelde hij me de eerste keer dat we buiten een sigaretje stonden te roken. Hij had altijd zulke katers dat hij op het allerlaatste moment pas opstond om naar school te fietsen. Maar hij moest ook roken.

Vandaar.

Ik weet niet hoe ze mij noemen.

Ik was er het eerst.

Ze mogen mij niet, de meisjes achter de bar.

Ik weet dat wel.

Op de brug was het koud. Het waaide hard. Ik zat op het stuk beton en ik rookte een sigaretje. Ik dacht na. Uiteindelijk maakt het niet zoveel uit. Ik dronk de fles goeiekope jonge jenever, want ik ben ook weer niet zo’n held dat ik er gewoon nuchter in durf te duiken. Ik stelde me voor hoe het zou zijn. Verdrinken zelf schijnt niet zo fijn te zijn, sterven aan onderkoeling daarentegen is helemaal niet zo erg. Alleen koud. Ik weet niet hoe ze dat met elkaar kunnen vergelijken, want je bent immers dood daarna. Maar goed, als ik een auto had gehad, en een garage, dan had ik het wel zo gedaan. Lekker wegdommelen en dan nooit meer wakker worden. Maar ik heb geen auto. Ik heb alleen een CV en een elektrische oven en een fiets en een kelderboxje onder in de galerijflat.

Ik gooide de fles eerst. Het duurde lang voordat ik een klein plonsje onder me zag. En toen hoorde ik de stem van De Gesmolten Emmer boven me.

‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg hij. Ik zag alleen zijn hoofd over de reling steken.

‘Kutkerst,’ zei ik met dubbele tong.

‘Ga je springen?’ vroeg De Gesmolten Emmer.

‘Bemoei je er niet mee,’ zei ik.

‘Is koud, hoor, dat water.’

‘Wie denk je dat je voor je hebt?’ zei ik. ‘Je tante Fien?’

‘Ik zou het niet doen,’ zei De Gesmolten Emmer. ‘Ik kan namelijk niet zwemmen.’

‘Nee,’ zei ik. ‘Dat zou ik dan ook maar niet doen als ik jou was.’

‘Kun jij zwemmen?’ vroeg hij.

‘Ik kan heel goed zwemmen,’ zei ik.

‘Dat is dan niet heel handig,’ zei hij.

‘Nee,’ zei ik. ‘Dat is inderdaad niet handig.’

Ik miste mijn fles. Dan heb je tenminste nog iets om je aan vast te houden. Als een anker. Als een boei.

En ineens sprong hij. Zomaar. Als een ouwe jas flapperde hij in zijn te grote kleren voorbij, het water tegemoet. Hij riep niks. Geen ‘help’, geen ‘aaargh’, niks.

Toen ben ik hem maar achterna gesprongen.

Je kunt zo’n man toch ook niet laten verdrinken.

Toen we eenmaal aan de kant zaten uit te puffen, klappertandend, sloeg hij me op mijn schouder.

‘Ik wist wel dat je me zou redden,’ zei hij.

Maar we weten allebei dat hij degene was die die nacht iemand redde.

Je zou denken dat het een engel was, zoals in de Amerikaanse kerstfilms, maar het was De Gesmolten Emmer maar.

Het leven komt met duizend verschillende soorten liefde. Zoveel als er drankjes op de wereld bestaan. Zoveel dat mijn hart er bijna van ontploft. Zoveel dat ik vlinders in mijn buik krijg.

Nog even en het is zomer.

Dan kunnen we weer gewoon naar buiten, De Gesmolten Emmer en ik.

Tevreden rookkringeltjes draaien op het terras, met een drankje ingeschonken door dat kutpersoneel dat ons haat.

Gewoon. Zoals het hoort.