Aan de rand van de beschaving

Bas van Putten kent de anale noden van de Jag-man. Op zijn oprit staat de F-Type, met uitlaatpijpen als peniskokers.

Over de ontstaansgeschiedenis van de Jaguar F-Type doet dit roerende verhaal de ronde. Op een dag belanden de ingenieurs bij de bottleneck op hun to do-lijstje: de U van Uitlaatpijpen. Dat zijn de klanktrechters voor de reclametune van elke sportwagen, het motorgeluid. Daar moeten ze de auto op verkopen. Een computergestuurd onderstel, een ideale stuurpositie, de boven de 100 automatisch uitklappende achterspoiler, die schitterende Star Trek-schuifknop voor de sport- en winterstand; die kunsten baten niets zonder een wall of sound.

De uitlaat bevindt zich waar ook bij de mens de afvoer plaatsvindt van de kwaaie gassen, en heeft de Jag-man met de petomaan gemeen dat hij het daar zo smerig mogelijk wil horen reutelen. Op die anale noden heeft het team de tongval van de F-Type af te stemmen. De mannen weten dat een tam klinkende Jaguar een doodgeboren kind is. Ze hebben een klankvoorstelling. Vol en rumoerig moet het worden, met iets van heavy metal en doorrookte blues, een zweem van misthoorns en trompetten bij volgas. Voor dat concert des levens bellen ze de specialist, het pijpenmannetje.

Het meldt zich met zijn pijpenkoffertje bij de fabriekspoort, het opent zijn doos van Pandora en daar liggen ze; twee peniskokers. De opdrachtnemer heeft de loop van een kanon verzaagd. Er valt een korte stilte, gevuld met flatuleuze associaties en een schuldig piekeren over beschavingsgrenzen. De jongens, want dat zijn ze, horen die toeters in gedachten bulderen en knetteren. Hun prudente ‘ongepast’ draait bij naar een verlekkerd ‘stout’. Deal!, zegt chefdesigner Ian Callum, en het besmuikte grijnzen van zijn mannen wordt bevrijd geschater. Iemand nog vragen? Welnee. Het komt goed.

Het kwam goed. De soundtrack van de versies met Actieve Sportuitlaat – zoiets bestaat – kan verder worden opgeruwd met een knop die klepjes in het uitlaatsysteem ontsluit, waardoor een tombola van onvoorstelbare geluiden uit de kast komt. Ik sfeerschets: vuurwerk in een echoput; een achterwaarts afgespeelde snurk; Tarzan brullend in gevecht met een gemene aap.

Dat verhaal dus. Dat het in de wandelgangen vast werd aangedikt, past bij de auto. De F is de pin-up van een seksistische cartoonist, ontuchtige mannentaal: mond te groot, heupen te breed, kont te dik. Zijn glans ontleent hij aan het zelfinzicht van de ontwerper die het banale van zijn hyberbolen voor lachwekkendheid behoedde door ze met de ironie van een Roy Liechtenstein te lijf te gaan. Hij schiep een kunstwerk dat de tweestrijd tussen esthetiek en libido heeft opgevangen in een uit zijn voegen barstend lustobject van zwellend aluminium. Daarom is dit de best geslaagde Jaguar-cabriolet sinds de E-Type. Een sportwagen moet uit zijn vel springen, hard en meedogenloos. Vorige generaties open Jaguars, de XJ-S en de XK-modellen, zag je dat ordinaire doel verbloemen met onnatuurlijke beschaving.

Akoestische kerndoelen

Natuurlijk is hij geen echte 911-concurrent. Bij een nieuw Porsche-model zou alleen al de geboorte van de uitlaatpijp een ander, somberder verhaal zijn. De sound engineers waren van wal gestoken met grafieken, workshops, seminars over het klankprofiel. Als pijpenmannetje zou een professor in de uitlaatkunde zijn aangewezen, Prof. Schalltrichter. Die kerel zou met een draaiboek vol akoestische kerndoelen in een werkplaats zijn opgesloten tot de klinkende realiteit van zijn smeedwerk zou accorderen met de speerpunten van de vergaderzalen. Ziel erreicht, zou de uitlaatchef zijn bazen effen rapporteren. Ze zouden er nog net het glas op heffen, maar na de toost zouden ze het over brandstofpompen en computersimulaties hebben, terwijl het Jag-team met het pijpenmannetje allang was afgezakt naar bier, vrouwen en voetbal.

Dat is het verschil tussen Porsche en Jaguar; dat tussen componeren en improviseren, vastbijten en loslaten. Daarom is een 911 een machine en de F-Type een niet geheel beheersbaar organisme. Een sportieve Jaguar kan en mag geen perfecte auto zijn. Van zijn slag wordt de slonzigheid gevraagd die de F-Type S met onvolmaakte hartstocht speelt, een zwetende big bloke met een natuurtalent voor dodelijke haarspeldbochten.

Wat is zijn harde kern?, vraag ik me met een on-Britse belangstelling voor verklaringen nog steeds af als ik op mijn oprit naar hem sta te kijken. Nou, die peniskokers. Ik steek er een hand in, zomaar, en heb er krachtige, lachwekkende gevoelens bij. Nu weet ik wat de Jag-man drijft. Hij telt een ton neer voor de keet van twee rioolbuizen. Ik kan het volgen. Sorry.

    • Bas van Putten