Vier jaar lang pappen en nat houden

Het kabinet De Jong (1967–1971) werd indertijd als zwak beoordeeld. Maar dat beeld werd al vrij snel bijgesteld. Is de kanteling van die visie toe aan een terugkanteling?

Premier Rutte kijkt nu al uit naar het jaar 2053. Dan zal – als de geschiedschrijvers van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen hun huidige tempo aanhouden – het boek over het tweede kabinet Rutte af zijn. En als het dan net zo gaat zoals bij de nu uitgekomen biografie over het kabinet De Jong zal het aanvankelijk negatieve oordeel veranderen in positief.

Het is een bekend verschijnsel dat in het licht van de geschiedenis geharnaste oordelen milder worden. Dat is zeker het geval in het negende deel in de reeks Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945 over het kabinet De Jong, waarvan premier Rutte twee weken geleden het eerste exemplaar overhandigde aan zijn inmiddels 98-jarige verre ambtsvoorganger Piet de Jong. Het was het kabinet waarover aan het eind van zijn zittingsperiode in 1971 in brede kring werd gezegd dat het een zwak beleid had gevoerd van pappen en nathouden. Nu wordt dat kabinet in het boek Polarisatie en hoogconjunctuur geroemd vanwege de ‘grote veranderingen’ die zich in de regeerperiode van 1967 tot 1971 hebben voltrokken.

Dat het bij nader inzien toch niet zo’n heel slecht kabinet was, is geen nieuwe visie op de verrichtingen van de confessioneel-liberale ploeg onder leiding van voormalig duikbootkapitein ‘Pietje’ de Jong. De politicologen Van den Berg en Molleman dichtten hem al in 1974 in hun boek Crisis in de Nederlandse politiek ‘behendige stuurmanskunst’ toe. Acht jaar later noemde parlementair historicus Peter Maas in een boek over kabinetsformaties De Jong ‘de meest onderschatte premier sedert de oorlog’. Aan de De Jongs revival droeg ook zijn in 2001 verschenen biografie bij waarin de auteurs Jan Willem Brouwer en Johan van Merriënboer stelden dat er onder zijn leiding ‘geen sprake’ was geweest ‘van enkel op de winkel passen’.

Eigenlijk is het dus nu weer de tijd om de vraag te stellen of het door de jaren heen gekantelde beeld over het kabinet De Jong niet weer teruggekanteld moet worden. Want was het nu werkelijk zo’n goed kabinet, zoals in het boek na 613 pagina’s in een wel zeer summiere paragraaf wordt geconstateerd. Het moeilijke bij het beantwoorden van deze vraag is welke criteria erbij moeten worden aangelegd. Ook bij de beoordeling van de jaren zestig en de gevolgen voor Nederland is namelijk sprake van een ‘Historikerstreit’.

Het gaat daarbij om de ‘elitevorsers’ met de van oorsprong Amerikaanse historicus James Kennedy versus de ‘generatieadepten’ tot wie de in 2001 overleden historicus Hans Righart behoorde. Volgens de eerste groep kwam de Nederlandse culturele revolutie tot stand niet ondanks, maar dankzij de regerende politieke elite. De gezagsdragers maakten met hun flexibele instelling de vele veranderingen in de samenleving juist mogelijk.

Maar de generatieadepten schrijven de veranderingen juist toe aan het generatieconflict dat in de jaren zestig in alle hevigheid losbarstte. Volgens Righart moest in de ‘dubbele generatiecrisis’ als gevolg van snelle materiële veranderingen het ‘epicentrum’ van de jaren zestig worden gezocht.

In het slothoofdstuk van het boek over De Jong kiest Johan van Merriënboer overwegend voor de repressieve tolerantiethese van Kennedy. Dat betekent dus dat het kabinet De Jong de tijdgeest die om verandering vroeg goed verstond en daarop met de juiste maatregelen inspeelde. Was dat bewust, pro-actief beleid, of regerenderwijs reageren op de omstandigheden om erger te voorkomen?

Merriënboer suggereert het eerste, maar in de door diverse auteurs geschreven voorafgaande hoofdstukken over afzonderlijke beleidsonderwerpen zijn de nodige aanwijzingen te vinden dat het kabinet de tijdgeest niet of maar in beperkte mate op juiste waarde wist te schatten. ‘Het kabinet slaagde er niet in de etterende wonden definitief te helen’, wordt er bijvoorbeeld geschreven over de houding tegenover de voormalige koloniën. Het kabinet kreeg te maken met rellen op Curaçao, rellen met Molukkers en een hernieuwde discussie over de politionele acties in Indonesië.

Met jongeren die in de roerige jaren zestig de straat opgingen en – zoals werd gezegd – ‘het gezag tartten’, wist het kabinet evenmin raad. ‘Een eenduidige visie van het kabinet kwam er niet; daarvoor was de verscheidenheid van de ministersploeg (haviken en duiven) te groot’, schrijven Leon van Damme en Peter van Griensven in hun hoofdstuk ‘Het gezag uitgedaagd’.

Dan was er natuurlijk nog de democratiseringsbeweging. Het kabinet De Jong trad aan na de verkiezingen die nieuwkomer D66 onder leiding van Hans van Mierlo met zeven zetels vanuit het niets in de Tweede Kamer had gebracht. De door het kabinet geïnstalleerde staatscommissie Cals-Donner werd gevraagd met ideeën voor staatkundige hervorming te komen. Van hun voorstellen om de kiezer meer rechtstreekse invloed te geven op het bestuur kwam weinig terecht. De ambitieuze plannen werden gaandeweg beperkt tot afschaffing van de opkomstplicht en verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd. ‘Grutterswaar’, hoonde de oppositie.

Weinig succesvol was het kabinet ook in het beteugelen van de inflatie als gevolg van stijgende lonen en stijgende prijzen. Met een ook binnen het kabinet omstreden loonwet probeerde minister Roolvink (Sociale Zaken) de lonen binnen de perken te houden. De wet kreeg alleen een meerderheid omdat De Jong met een kabinetscrisis had gedreigd. Maar het doel – het doorbreken van de loon- en prijsspiraal – werd niet bereikt.

Kortom, waarom toch dat enthousiasme met terugwerkende kracht voor het kabinet De Jong? Het boek draagt daar, afgezien van een paar voorbeelden die ook al werden genoemd toen het kabinet zonder veel applaus in 1971 vertrok, opvallend weinig bewijsmateriaal voor aan. De ministers pasten weliswaar op de winkel, maar lieten na hem op orde te brengen.

De verdienste van het kabinet De Jong is vooral geweest, zoals overigens eveneens in 1971 werd vastgesteld, dat het ondanks alle maatschappelijke onrust vier jaar lang bleef zitten. Daarmee was dit het eerste kabinet in vijftig jaar dat de normale regeerperiode van vier jaar volmaakte. Maar de reden voor deze prestatie was een defensieve: geen van de regeringspartijen durfde uit angst voor een electorale afstraffing nieuwe verkiezingen aan.

Misschien is het zo lang mogelijk blijven zitten ook iets waar premier Rutte waarderingspunten mee kan verdienen. Als zijn tweede kabinet net als De Jong ‘de rit uitzit’ zal dat in 2017 voor het eerst sinds 1994 zijn dat dit gebeurt.