‘Je kijkt naar een trage zelfmoord’

De broer van Lionel Shriver overleed aan obesitas. Ze schreef er een roman over: ‘Als hij de enige was die bezweken was onder zijn gewicht, had ik een minder interessant verhaal gehad. Hij staat voor een maatschappelijke gezondheidscrisis.’

‘Therapeutisch is het boek niet”, benadrukt de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver wanneer ze in Amsterdam is om over haar nieuwe roman Big Brother te praten. Ze werd bekend door haar geëngageerde romans, waarin ze het liefst ongemakkelijke vragen stelt. Zo gaat het in (het tevens verfilmde) Let’s Talk About Kevin, haar doorbraak, om de vraag of je van je kind moet blijven houden wanneer het op school met een machinegeweer tekeer is gegaan. En in Dat was het dan stelt ze aan de orde hoeveel kosten je moet blijven maken om een leven te rekken.

Ook haar recente Big Brother draait om een maatschappelijk probleem: hoe gaan we om met obesitas? Het verhaal is gebaseerd op het leven van haar broer, die inmiddels aan de ziekte is overleden. Obesitas is volksziekte nummer 1 in de Verenigde Staten. Veel interviews met Shriver gingen dan ook opeens over de vraag wat ze at, hoe ze at en vooral: hoe het komt dat ze zo mager is (ze sport veel en eet weinig).

Dit boek is persoonlijker dan uw andere werk. Is het ook lastiger om erover te praten?

„Nee, ik heb het verhaal ver genoeg van mijn broer weten te houden. De broer-zuster verhouding in dit boek is geheel verzonnen. Ik denk bovendien dat het verschil met mijn andere werk niet erg groot is.

„Al mijn boeken zijn persoonlijk, en toch compleet bedacht. Voordat ik Let’s Talk About Kevin schreef, was ik bezig met de vraag of ik ooit kinderen zou willen. En vlak voor Dat was het dan overleed een vriend van me aan kanker. Dat ik na de dood van mijn broer over obesitas zou schrijven lag dus voor de hand. Het boek is voor mij niet therapeutisch, omdat ik niet voor mezelf schrijf. Elke schrijver maakt romans voor anderen. Doe je dat niet dan kun je je beperken tot slordige aantekeningen in een dagboek.

„Ik kies voor onderwerpen die me bezighouden, om wat voor reden dan ook. Ik begin met een kwestie die uitgezocht moet worden. Daarna wil ik meer te weten komen over dat wat ik niet begrijp, en dan rijzen er vragen op die anderen zich ook stellen. Als mijn broer de enige was die bezweken was onder zijn gewicht, was mijn verhaal minder interessant. Maar hij staat voor een maatschappelijke gezondheidscrisis.”

En heeft deze roman u dichter bij de antwoorden gebracht?

„Nee, natuurlijk niet. In fictie kun je veel vragen stellen, maar oplossingen vinden is iets anders. Waar het in Big Brother op neerkomt is de vraag: hoe kan het dat eten zo’n enorm probleem is geworden, waarom kunnen zoveel mensen er niet mee omgaan? Ik beschrijf het probleem, maar oplossen kan ik het niet. Politiek is niet mijn werk – bovendien komt ook de regering maar zelden met goeie oplossingen. Obesitas los je niet op door een vetbelasting in te voeren.

„Je kunt een vraag als ‘Waarom eet iemand zich dood?’ niet serieus beantwoorden door te wijzen naar fastfood, het ligt veel ingewikkelder. Iedereen die aan obesitas of anorexia lijdt, heeft een eigen verhaal. Het kan aan familieverhoudingen liggen. Soms wordt je gewicht binnen de familie je identiteit. ‘Jij bent de dikke’, zeggen ze dan. Dat kan zo ingrijpend zijn dat een ander familielid bang wordt en nog minder gaat eten.”

Was dat de verhouding tussen u en uw broer?

Ze klinkt bijna opgelucht als ze zegt: „Nee, we zagen elkaar te weinig om zo’n dynamiek te laten ontstaan. Mijn broer leefde in de VS, ik in Engeland, dus dat gebeurde niet. Bovendien speelt zoiets vooral in je jeugd. In de roman laat ik de familieverhoudingen het verhaal dragen. Ik ga met één mogelijkheid de diepte in, maar dan zodanig dat het voor een breder publiek interessant kan zijn. Was het non-fictie geweest dan was het een saai verhaal geworden dat oppervlakkige oplossingen aanreikt. Toch lijken lezers daar soms naar op zoek.

Dat was het dan wordt wel eens omschreven als een boek over gezondheidszorg. Dat klínkt niet als een roman, laat staan een boek dat je zou willen lezen. Maar omdat het fictie is en de benadering zo individueel, ga je je betrokken voelen, hoop ik. In die roman moet een man zijn plannen voor een scheiding en een wereldreis laten varen wanneer hij hoort dat zijn vrouw kanker heeft. Al zijn spaargeld gaat op aan de pogingen om het leven van zijn vrouw een paar maanden te rekken. Kijk, als mensen failliet gaan aan de gezondheidszorg, dan wordt het een interessant verhaal. Ondertussen maak je ook een algemener probleem bespreekbaar: we kunnen niet zoveel geld blijven besteden aan zorg in de laatste maanden van iemands leven. Ik hoop dat de lezer zich na lezing van mijn boek durft af te vragen hoeveel geld hij wil besteden om zijn vader twee maanden langer te laten leven. Bij mijzelf heeft de roman de werkelijkheid ingehaald toen bleek dat mijn vader kanker had.”

Was ‘Dat was het dan’ anders geweest wanneer uw vader vóór die roman ziek was geworden?

„Nee.”

Helpt het dan wel dat u de roman al had geschreven en u zich deze vragen al gesteld had?

„Nee.” Na een korte stilte begint Shriver te gieren van het lachen. Ze legt uit: „Mijn andere broer zei: ‘Hadden we maar allemaal je boek gelezen.’ Misschien hadden mijn familieleden en anderen rondom mijn vader dat wel gedaan, maar het maakte toen geen enkel verschil. In elk geval gaf de ziekte van mijn vader me wel het gevoel dat ik met een belangrijke vraag bezig was geweest. Ik besefte tegelijkertijd dat je invloed als schrijver gering is. Zelfs in mijn eigen familie. Je creëert geen revoluties met een roman.”

In ‘Big Brother’ staan het begin en het slot los van het verhaal – u legt daarin uit wat er echt met uw broer is gebeurd. Ik las het alsof u zich schuldig voelde over de dood van uw broer.

„Zo kan je het inderdaad zien. Het slot is een overgave aan machteloosheid. ‘Zo, dit was mijn roman, erg waarschijnlijk klinkt het niet,’ had ik willen zeggen. Het verhaal van de broer in de roman is ook nauwelijks te geloven. Het vertelt weliswaar realistisch hoe die zuster haar broer helpt door meer dan honderd kilo af te vallen, maar er is steeds een stemmetje op de achtergrond dat zegt: ‘Dat méén je toch niet?’ En ik meen het dus ook niet. De roman eindigt in en in droevig. Het slot is een stap terug naar de werkelijkheid. Je hoort niet veel verhalen waarin iemand met succes gered wordt. Soms geven mensen hun eigen leven een nieuwe wending, maar ik geloof niet zo in die ‘interventies’, waarbij je omgeving je confronteert met je problemen. Dat werkt gewoon niet. Ook niet bij een alcoholist of drugsverslaafde. De enige manier waarop iemand er iets aan kan doen is als hij inziet dat hij het zelf nodig vindt. Dat kan niemand anders hem vertellen. Het is iets persoonlijks, altijd.”

Pandora zet veel op het spel om haar broer te redden, dat heeft u dus nooit overwogen?

„Het zou niet gewerkt hebben!”

Dat is rationeel, de dood van een broer niet.

„De roman legt het zelf uit. Wanneer Pandora haar broer wil loslaten omdat hij zijn streefgewicht heeft bereikt, pakt hij een chocoladetaart. Zij is kansloos, en dat was ze altijd al. Haar aanpak zou niet gewerkt hebben. Bij mijn eigen broer was het niet ondenkbaar geweest dat hij geopereerd had kunnen worden, misschien had hij het dan gered. Maar dat had hij zelf moeten bedenken, pas dan had ik hem misschien kunnen helpen. Bij obesitas is de rol van de buitenwereld sowieso ingewikkeld. Niemand kan je helpen, het is een ziekte die over jezelf gaat, een privézaak. Maar tegelijkertijd is het een zaak voor iedereen, omdat dat overgewicht zo zichtbaar is. Men zegt het niet hardop, maar je voelt dat men met afkeuring naar je kijkt. Dat is een bijkomstig probleem van obesitas: je probleem is openbaar.”

Waarom is er sympathie voor mensen met anorexia en niet voor mensen met obesitas?

„Tja, goeie vraag. Ik denk dat we nog steeds geneigd zijn het morele paradigma van de anorexiapatiënt te volgen: jezelf dingen ontzeggen is moreel hoogstaander dan ‘genieten’ van overvloed. We bewonderen onthouding, het jezelf straffen. Het is een protestantse kijk op eten. De dikke mens is gierig, gulzig, verspillend en lui. Wie dik is geeft toe aan de lusten van het lichaam, wie anorexia heeft, ontzegt zich die juist. Daar komt natuurlijk wel bij dat anorexia nog dodelijker is dan obesitas. Het is eigenlijk raar dat er mensen zijn die voor die onthouding nog waardering kunnen opbrengen – en met louter minachting kunnen kijken naar vet.

„De mode-iconen van nu zitten behoorlijk dichtbij anorexia, dat is ons schoonheidsideaal. Ik word van anorexiapatiënten een stuk zenuwachtiger dan van dikke mensen. Ze lijken op de dood. Het is alsof je naast een skelet zit, doodeng. Je bent getuige van een langzame zelfmoord.”

Maar dat is obesitas ook, schrijft u.

„Ja, dat is waar. In het geval van mijn broer was het een gebrek aan bereidheid om in zijn toekomst te investeren. Dat geldt misschien niet voor iedereen, dat kan ik niet zeggen. Maar Big Brother is ook een economisch verhaal, obese mensen kosten enorm veel geld, ze belasten de gezondheidszorg.”

Zijn we dan terug bij ‘Dat was het dan’? Beide verhalen gaan behalve over een ziekte ook over de economie van de liefde.

„Ja, dat is waar. Ik ben erg geïnteresseerd in wat geld betekent voor menselijke verhoudingen, en de manier waarop mensen financieel met elkaar verweven zijn en wat dat voor hun levens betekent. De financiële kanten van het leven worden door veel romanschrijvers nogal verwaarloosd. In een roman lees je bijvoorbeeld dat een leraar in een leuk landhuis woont. Ik vraag me dan automatisch af: ‘hoe kan dat met zijn salaris?’ Als je realistisch wilt schrijven, móet het ook over geld gaan. Geld speelt een enorme rol in het emotionele leven van mensen.”

    • Toef Jaeger