Het opruimen van ‘onwaardig leven’

In 1933 begonnen de sterilisaties en in 1939 volgde het vermoorden van gehandicapten. Geen ander modern Duits regime kende zo’n harmonie tussen volk en leiding, aldus een omstreden geschiedschrijver.

Auschwitz, 1993 Foto Vincent Mentzel

Vergeleken bij zes miljoen lijkt tweehonderdduizend niet veel. Maar dat is het wel als het om slachtoffers gaat, in dit geval de slachtoffers van de ‘euthanasie’-acties, die tussen 1939 en 1945 in Duitsland plaatsvonden. De massamoord op geesteszieken, gehandicapten, chronisch zieken en bejaarden is desondanks veel minder bekend dan die op de Joden. Vaak weet men alleen dat bij de vroege ‘euthanasie’-acties in 1939-’41 voor het eerst gaskamers zijn gebruikt en dat de toen verworven expertise nadien is benut bij het opzetten van de vernietigingskampen.

Lees je Die Belasteten. ‘Euthanasie’ 1939-1945, eine Gesellschaftgeschichte van Götz Aly, dan wordt duidelijk dat de samenhang nog veel hechter en complexer is geweest.

In Duitsland geldt Aly, van origine politicoloog en journalist, als een omstreden geschiedschrijver. Dat zijn vaak de interessantste – ze laten een ander geluid horen dan de communis opinio. Aly maakt bijvoorbeeld korte metten met de lange tijd gangbare these dat Hitler zijn macht aan het grootkapitaal te danken had. Ook van de geruststellende gedachte dat er een scherpe scheidslijn te trekken valt tussen nazi’s en ‘gewone’ Duitsers blijft bij hem niet veel over, zonder dat hij iedereen à la Goldhagen (Hitler’s willing executioners, 1996) in moordzuchtige antisemieten verandert.

In een spraakmakend boek als Hitlers Volksstaat (2005) laat Aly zien hoe de grote meerderheid van Duitse arbeiders en kleine burgers van het Derde Rijk heeft geprofiteerd, ten koste van de Joden wier bezittingen werden onteigend en herverdeeld onder de ‘raszuivere’ Duitsers. Vandaar de binnenlandse stabiliteit, in weerwil van de steeds slechter verlopende oorlog en de toenemende geallieerde bombardementen. Geen ander modern Duits regime kende zo’n harmonie tussen volk en leiding als dat van Adolf Hitler, luidt Aly’s prikkelende these. Het nationaal-socialisme behoort volgens hem tot de grote twintigste-eeuwse egalitaristische bewegingen waaruit de huidige massademocratie is voortgekomen. Het Derde Rijk als paradijs voor kleine luiden en social climbers.

De meeste Duitsers steunden Hitler tot het bittere einde, omdat ze daar beter van dachten te worden. Maar dat is niet het enige. Als bijkomend motief noemt Aly de medeplichtigheid aan de misdaden van het regime, waartoe de bevolking zich liet overhalen door ervan te profiteren. Met als gevolg dat men in 1945 de ondergang prefereerde boven capitulatie. Iedereen had, zoals Goebbels in zijn dagboek noteerde, te veel op de ‘kerfstok’ om nog op genade van de vijand te durven rekenen.

Afgunst

De meeste Duitsers waren niet vóór het uitmoorden van hun Joodse medeburgers, maar ze hebben het wel geaccepteerd. Joden werden beschouwd als vreemdelingen, objecten bovendien van sociale afgunst omdat zij beter hun weg in de verwarrende moderniteit wisten te vinden dan de onzekere Duitsers. Pas daarna kwam, als ‘wetenschappelijke’ legitimatie voor deze beschamende Neid, de rassenleer, aldus Aly in Warum die deutschen? Warum die Juden? (2011). Verzet tegen de jodenvervolging was zeldzaam, niet uit angst voor staatsterreur maar uit stilzwijgende instemming. En uit een toenemende morele afstomping.

Bij dit laatste hebben de eerste ‘euthanasie’-acties, de massamoord op geestelijk en lichamelijk gehandicapten in 1939-’41, een fatale rol gespeeld. Het nationaal-socialisme was een ideologie met sterk sociaal-darwinistische trekken, voor ‘onwaardig leven’ was geen plaats in het Derde Rijk. Net zo min trouwens als in sommige andere landen; gedwongen sterilisaties (waarmee de nazi’s meteen na 1933 begonnen) vonden ook elders plaats. Iets anders was het vermoorden van levende zieken en gehandicapten, waartoe Hitler en zijn naaste medewerkers omstreeks 1939 besloten.

Aly reconstrueert in Die Belasteten de gang van zaken zo goed als mogelijk. Veel moet mondeling zijn geregeld, zo ging het vaker bij dit soort ‘geheime’ besluiten. Aly komt wel met een rapport van Hitlers lijfarts Morell, die een enquête onder ouders van gehandicapte kinderen uit de jaren twintig aanhaalt, waaruit blijkt dat een hoog percentage de dood van hun kind wel wilde accepteren, zolang men er maar geen directe verantwoordelijkheid voor hoefde te dragen. Dit inzicht zou sturend worden voor de manier waarop de ‘Aktion Gnadentod’, door Aly gewoonlijk aangeduid als ‘Aktion T4’ (naar het adres Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, waar de organiserende instantie gevestigd was), te werk ging.

Hoewel de onverklaarbare toename van sterfgevallen al snel suggereerde wat werkelijk gaande was, bleef er altijd een escape om te waarheid te ontkennen en de opgegeven natuurlijke doodsoorzaak te geloven. Uiteraard gold dat niet voor de direct betrokken artsen, verplegers en verpleegsters. Zij moesten de voor ‘euthanasie’ in aanmerking komende patiënten melden, waarna een commissie na uitvoerige rapportage over hun lot besliste. Vaak waren de daders niet eens fanatieke nazi’s en evenmin slechte psychiaters. Sommigen rechtvaardigden het vermoorden van hopeloze gevallen met het motief dat daardoor meer tijd en geld vrijkwam voor patiënten die wél genezen konden worden.

Aly schrijft getroffen te zijn door de vóór alles utilitaire denktrant van de daders. Niet racistische ideologie, maar argumenten van nut (kan iemand nog werken?) en geld (hoeveel kunnen we niet bezuinigen door de ‘nutzlose Esser’ op te ruimen) waren in de regel beslissend. Het ras kón ook geen rol van betekenis spelen, omdat de slachtoffers in meerderheid bestonden uit ‘officiële’ Duitsers. Daar begint de morele afstomping: wie het accepteerde dat zijn of haar gehandicapte dochter of oom de dood werd ingestuurd, en dat vaak een hele opluchting vond, zou niet gauw geneigd zijn zich druk te maken als ditzelfde lot de ‘volksvreemde’ Joden trof. Er schuilt een sinistere logica in de weg van ‘Gnadentod’ naar Auschwitz.

Praktische ‘oplossing’

Toch gelooft Aly niet dat er sprake is geweest van een demonisch masterplan. Integendeel, de Holocaust was het resultaat van improvisatie, pragmatisme en om zo te zeggen ambtelijke creativiteit. Hitler-Duitsland was geen Befehl-staat waar alles pasklaar van boven kwam. Een groot deel van Aly’s oeuvre bestaat uit studies (Vordenker der Vernichtung, 1991, Endlösung, 1995) over de ambtenaren, planners en technici, die worstelend met de demografische herstructurering van Oost-Europa op zeker moment de fysieke uitroeiing van de Joden nog als enige praktische ‘oplossing’ zagen. De ‘Aktion T4’ had bewezen dat men in het nieuwe Duitsland met zoiets kon wegkomen.

Je kunt je afvragen of Aly het aandeel van de ideologie niet te klein maakt, maar dat pragmatische flexibiliteit een kapitale rol heeft gespeeld, weet hij overtuigend aan te tonen. Dat was ook zo bij de massamoord op geesteszieken en gehandicapten, zij het op een iets andere manier. Want wie uitdrukkelijk niet instemde, wist kind of familielid niet zelden te redden en toen er in augustus 1941 voor het eerst publiek protest kwam, in de vorm van enkele preken van de aartsconservatieve bisschop van Münster, zette Hitler de ‘Aktion T4’ stop, teneinde onrust aan het thuisfront te voorkomen: de oorlog vereiste totale eensgezindheid. Dat het moorden daarna op een rommeliger manier gewoon doorging, bijvoorbeeld omdat er bedden nodig waren voor de slachtoffers van de bombardementen of omdat vlijtige hersenwetenschappers om nieuw onderzoeksmateriaal verlegen zaten, is een ander verhaal – dat Aly óók vertelt.

Die Belasteten is een deprimerend boek, omdat Aly erin slaagt van de als ‘Idioten’ afgeschreven slachtoffers aandoenlijke, zelfs hartverscheurende mensen te maken (soms door simpelweg te citeren uit de klinische rapportage van de moordenaars) en vanwege de alomtegenwoordigheid van een louter technische, utilitaire manier van denken over zorg en ziekte, leven en dood, die na 1945 bepaald niet is verdwenen. Het zijn ook de twee belangrijkste redenen, naast de evidente historische betekenis van het onderwerp en de enerverende stijl van de auteur, waarom dit boek het verdient om gelezen te worden.