Eerst de moraal graag, dan pas het vreten

Accountant PwC zat fout bij Econcern, het failliete bedrijf dat deed in duurzame energie. Dat is de conclusie van de twee curatoren van het concern. Zo wordt er weer een zwarte parel geregen aan het snoer van het falende toezicht. Ditmaal het toezicht door de accountant.

Je kunt in dit soort gevallen wachten op de roep om beter toezicht, in dit geval op de toezichthoudende accountant zelf. Daar is weinig tegenin te brengen, maar je vraagt je inmiddels toch wel eens af waar het ophoudt.

Vrijheid en toezicht zijn elkaars antagonisten. In de jaren ’80 begon een grote golf van liberaliseringen, dereguleringen en privatiseringen. Eerst in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, daarna in de rest van de westerse wereld. In de jaren ’90 bereikte de trend, ook in Nederland, zijn hoogtepunt. Woningbouwverenigingen, de financiële markt, de telecommunicatie, de bancaire sector, vervoer, verzekeraars, de zorg – om er maar een paar te noemen.

Met de nieuwe vrijheid kwam een zwaarder toezicht. Fijn dat iedereen nu een grotere bewegingsvrijheid had, maar er was dan wel een apparaat nodig dat in de gaten hield of niemand zich misdroeg. Minder regels dus, maar dan wel garanderen dat iedereen zich daaraan houdt. Het toezichtapparaat dijde uit. Nationaal en internationaal. Er zou eens een econoom het toezicht als bedrijfstak moeten definiëren, en vervolgens uitrekenen hoe groot die inmiddels al is. Je zou er, aannemelijk, van schrikken.

De grotere vrijheid heeft ongetwijfeld geleid tot een fors grotere welvaart. Tegelijk maakt het toezicht eigenlijk deel uit van de transactiekosten in een economie: het economisch verkeer wordt er door belast, gecompliceerd en vertraagd. Soms miniem, soms behoorlijk. Tweede vraag voor onze econoom: valt inmiddels uit te rekenen wat voor de welvaart de optimale balans is tussen (on)vrijheid en toezicht?

Een hint: in november verscheen een onderzoek van drie IMF-economen, The economic crisis: did financial supervision matter? De conclusie van het onderzoek, dat honderd landen bestreek, was best schokkend. „Onze bevindingen laten er weinig twijfel over: de consolidatie van het toezicht heeft een negatief verband met de robuustheid (van de financiële sector, MS).” Of de centrale bank al dan niet bij het toezicht betrokken was, maakte geen verschil.

Huh? Hoe meer geconcentreerder het toezicht, hoe wankeler het systeem? Het ligt wat genuanceerder, maar het geeft wel aanleiding tot twijfel. Is er een kans dat de onder toezicht gestelde zich onverantwoordelijker gaat gedragen juist omdát er strakker toezicht is?

Toezicht gaat over feitelijk en waarneembaar bedrag, niet over intenties. En misschien wringt het juist op dit punt wel. Want wat weerhoudt een mens van een misstap? De diep gewortelde overtuiging dat dit niet hóórt, of de angst gepakt te worden? Schuldgevoel of schaamte? De interne moraal, kortom, of de externe moraal?

Toezichthouders vertegenwoordigen die laatste categorie. Versterkt en verscherpt toezicht representeert in wezen de overgang van een ‘principles based’ samenleving naar een ‘rules based’ samenleving. Noem het ‘het oude Europa’ versus ‘de VS’. Wat niet verboden is, dat mag. En dus wordt, na elk schandaal en elke maas in de wet, de lijst met verboden langer. Worden de regels gedetailleerder. Wordt het toezicht gecompliceerder. En mag, wat daarna nog steeds niet verboden is, nog méér.

En de toezichthouder krijgt vaker schuld als het misgaat. Want dat is het merkwaardige. Kennelijk gaan we al zodanig uit van wangedrag, dat we alleen nog kwaad worden op de degene die het niet opmerkte.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel