De mattenklopper krijgt een menselijk gezicht

In zijn kraakheldere essays kijkt de schrijver terug op de bizarre ontvangst van zijn roman. We leren zijn familie beter kennen en ook over Geert Wilders en masturbatie is hij openhartig.

‘Met mijn debuut De Dagen van Sjaitan (2000), een autobiografische roman over een jongen genaamd Hamid die in verzet komt tegen de strenge mores van zijn vrome vader, heb ik mijn vader [...] al vermoord. Is het mogelijk om iemand die je hebt vermoord weer tot leven te wekken? Wat moet een schrijver eigenlijk voelen om zoiets te kunnen? Wroeging? Loyaliteit? Liefde?’ Aldus Said El Haji in het openingshoofdstuk van zijn vierde boek, Sta op en leef, vader. Het is een essayistische, autobiografische vertelling waarin de schrijver inderdaad probeert de man die in zijn debuut nog ‘de levende mattenklopper’ heette, een menselijker gezicht te geven. El Haji vertelt over zijn familie in Berkel en Rodenrijs, waar zijn vader na afgekeurd te zijn al snel niet veel anders doet dan in het koffiehuis over religie praten – en over zijn verlangen om een roman te schrijven.

Ontluisterend zijn de passages over de periode waarin het boek verscheen: de maanden waarin El Haji werd toegejuicht door een deel van de culturele bovenklasse, maar hij zich bij vrienden en op scholen moest verdedigen tegen het culturele verraad dat hij met zijn roman had gepleegd. ‘Murw gebeukt, verlangend naar genade, gaf ik – tot mijn eigen verbazing – toe. Ik zei dat ik spijt had van mijn boek en dat ik het haatte.’ Dáár werd hij dadelijk op aangesproken door een docente, die hem zei dat een schrijver zijn werk trouw moest blijven. ‘Er restte mij maar één conclusie. Ik was niets. Geen Marokkaan. Geen Nederlander. Geen echte schrijver.’

Het is het eenzaamste moment in El Haji’s relaas, dat verder een pijnlijk genuanceerd portret geeft van het gezin en de gemeenschap waarin hij opgroeide. Daarbij laat hij de wisselwerking tussen het persoonlijke en het culturele terloops zien. Van de eis aan Marokkaanse jongens je ‘niet te laten kennen’ tot de psychoses van zijn broer en de constante angst van familieleden dat ook een andere zoon – zoals Said – door die onder Marokkaanse Nederlanders vaker voorkomende aandoening wordt getroffen. En ook hoe dat verhoogde risico volgens hem samenhangt met het dubbelleven dat veel jongens leiden.

Sta op en leef, vader is een mooi document . Waar El Haji in zijn romans wel eens wat te veel hooi op zijn vork nam, is hij in deze autobiografische essays kraakhelder – en gaat hij geen onderwerp uit de weg: van masturbatie bij besnedenen tot Geert Wilders. Lang niet alle gedachten zijn nieuw of origineel en aan sommige delen van het boek is te zien dat die eerder als afzonderlijk artikel (in De Volkskrant) zijn gepubliceerd, maar overal is wel een opmerkelijke observatie te vinden. Leidraad daarbij is ‘openheid’. El Haji schrijft onverbloemd over alles: inclusief de contradicties en twijfels in zijn eigen bestaan. Zolang je maar niets verzwijgt kun je ontsnappen aan de etiketten van buitenaf, of die nu voortkomen uit de blikken van de Nederlands-Marokkaanse gemeenschap of van de Hollandse intellectuelen, die ook zo hun verwachtingen van een jonge, bij voorkeur rebelse, schrijver hebben.

De vader is ook in dit boek geen fijne man – hoe kan het anders bij iemand die zijn dochter op een haar na wurgt met een kous. En een mens wordt hij juist omdat zijn momenten van menselijkheid, die de schrijver dertien jaar geleden over het hoofd zag, schaars zijn. Zoals wanneer El Haji zich herinnert hoe zijn vader rondom de geboorte van zijn jongste broertje een arm om zijn moeder heen sloeg. ‘Sinds ik vader ben koester ik deze herinnering. Het is het enige bewijs van intimiteit dat ik van mijn ouders heb.’