Cliff

Op 17 mei 2014 treedt Cliff Richard in de Amsterdamse Ziggo Dome op. Ik zal er niet heengaan. Liever koester ik de herinnering aan de Cliff die ooit was. Aan hem dank ik mijn liefde voor de popmuziek. Pas daarna kwamen de Beatles, de Stones, Buffalo Springfield, Neil Young, noem ze maar op.

Het is omstreeks 1960, een dromerige puber buigt zich over zijn primitieve pick-up en zet de naald op singletjes met uitdagende titels als Move It, Dynamite, High Class Baby.

De puber ben ik, de zanger is een donkerharige twintiger met pit in zijn stem. Een rocker die ook met gevoel ballads kan zingen: Travellin’ Light, A Voice in the Wilderness, When the Girl in Your Arms (is the Girl in Your Heart), Livin’ Doll. Liedjes die zelfs mijn vader, met zijn voorliefde voor Rudolf Schock en Peter Alexander, kon meeneuriën – wat nou ook weer niet helemaal de (mijn) bedoeling was.

Hij heette Harry Webb – een te sullige naam vond zijn manager, die er Cliff Richard van maakte. Hij werd in Engeland beschouwd als het Britse antwoord op Elvis Presley, ook voor Cliff zelf hét rolmodel. Maar Presley was te ver van mijn bed, Cliff was via Radio Luxemburg en de BBC beter te volgen. Hij maakte een bescheiden, beleefde indruk en hij hield niet op te benadrukken dat hij erg van zijn moeder hield. De zanger swingde meer dan de mens erachter.

Hij kwam voor drukbezochte optredens ook naar Nederland. Veel krijsende meisjes, maar ook blije jongens en zelfs – ik herinner me een foto – Wim Kan met zijn Corry.

Toen kwamen de Beatles en de Stones en raakte Cliff uit de gratie bij het jonge publiek. Als reactie werd zijn muziek steeds meer middle of the road. Het bleek, commercieel gezien, een goede keus. Hij kan terugkijken op een indrukwekkende, nu al ruim vijftig jaar durende internationale carrière. Mij raakte hij de laatste veertig jaar daarvan volledig kwijt, maar daar heeft hij zich terecht niets van aangetrokken.

Toch maakt hij een wat wrokkige indruk in het interview dat Gijsbert Kamer van de Volkskrant hem onlangs afnam. Cliff was in Amsterdam om de matig lopende voorverkoop van zijn optreden in de Ziggo Dome te bevorderen. Hij is nu 73, maar ziet er volgens de interviewer nog uit „als een goed geconserveerde vijftiger”.

Cliff voelt zich ondergewaardeerd. „Miskend is een groot woord, maar bepaald scheutig met complimenten is de geschiedschrijving niet voor me geweest. Altijd hebben ze het over Elvis en de Beatles.” Hij heeft vroeger in interviews wel eens uitgehaald naar al die zuipende, gedrogeerde collega’s, die van de poprecensenten meer aandacht kregen dan hij, die een veel langere carrière had dan zij.

Zelf leidde hij als eeuwige vrijgezel ogenschijnlijk een onberispelijk leven met een christelijk randje. Zijn seksuele identiteit bleef een mysterie. Was hij de Rock Hudson van de popmuziek, een homoseksueel die niet uit de kast durfde te komen uit angst zijn vrouwelijke fans te verspelen? Hij heeft het altijd tegengesproken.

Ik blader door zijn autobiografie It’s great to be young, die hij op 20-jarige (!) leeftijd liet schrijven. Een hoofdstuk heet: The girl I shall marry. Hij beschrijft erin hoe zijn favoriete dag eruit zou zien. Een uitstapje met een meisje. Tochtje met de auto of de boot, een wandeling, veel praten, een lunch met kerrie (hij is in India geboren), weer in de auto, misschien een picknick, dan op naar het diner. Daar houdt het op. Hij had er zijn buik vol van.