Als gloeiende kogels vuurt Eva haar ootes op ons af

‘Vind jij dit belangrijk?’ vroeg Eva (9) waarna ze even geërgerd als foutloos begon te reciteren: ‘Oote oote oote/ Boe/ Oote oote’. Ja, dat vindt de buurman dus belangrijk. ‘Betekent het ook iets? Wat dan?’ Hmm, lastige vraag. Hanlo bedoelde er alles mee, maar waar zoek je dat op, ik bedoel: hoe leg je dat uit? Ik gaf Eva dan maar ‘De mus’ te lezen. Ze haalde net de zesde ‘tjielp’, rolde met haar ogen en gaf het boek terug. Wat een wereld.

Vind jij dit belangrijk? Even later probeerde ik iets gereserveerd-agressiefs te verzinnen over de ijdele pas-de-deux van Leon de Winter (‘Daar ligt Syl, al half aangeschoten, of niet zo aangeschoten maar lekker op dreef, en dan maar concentratiekampgrappen maken en lekker lachen om een vijftienjarig meisje dat door honger en tyfus om het leven is gekomen. Dat vindt Syl lekker’) en Sylvia Witteman (‘Ja, en zijn demagogie doet overigens wel een beetje denken aan een zekere minister van propaganda in de jaren ’30). De Winter en Witteman zijn de Gordon en Connie Breukhoven van de Nederlandse Letteren. (Als u niet weet wie Gordon is, of Connie Breukhoven, of Sylvia Witteman, of Leon de Winter hoeft u dat niet op te zoeken)

‘Vind jij dit belangrijk?’ Bij de komst van de tweede volwassene in huis vuurde Eva haar Ootes weer af als gloeiende kogels. Zelfde resultaat. Vertwijfeld: ‘Maar zoiets heeft toch helemaal geen nut?’

Vind jij dit belangrijk? Jeroen van Kan maakte een twee uur durend radio-interview met Jeroen Brouwers, waarin de schrijver voor elke zin de lucht gierend zijn longen in moet pompen. Na een tijdje hoor je het niet meer. Brouwers is bezig een roman af te maken, Het hout. Hij zegt: „Het lijf verzet zich. Maar ik ben de baas, niet het lijf.”

‘Vind jij dit belangrijk?’ Nieuwe volwassene, een oude dialoog. Hoeveel dichters worden binnen een uur driemaal door een negenjarige gereciteerd? Dat is hoe dan ook belangrijk.

Vind jij dit belangrijk? Er staan zes nagelaten gedichten in de herdruk van de Verzamelde Gedichten van Rutger Kopland. ‘Een schoentje’ begint zo: ‘Daar lig je en je laat alleen/ vragen achter’. Kopland schreef veel van zijn laatste gedichten in opdracht en hij dacht daarbij vaak aan vergankelijkheid: ‘We stonden op de wierde van Wierum/ tussen de graven – met in het uitzicht/ het eindeloze, het onzichtbare daar// maar wij stonden hier bij elkaar/ onder ons de voorbije diepte.’