Youp en Gordon

Gordons opmerkingen tegen showkandidaat Xiao Wang bewijzen ‘vooral dat hij een boer is,’ schreef ik twee weken geleden. Dit zou je een voorbeeld kunnen noemen van de ‘morele, klassenjustitie’ waar Maxim Februari het maandag in zijn column over had. Zo werd het althans door diverse lezers opgevat, die schreven dat ik mij met de kwalificatie ‘boer’ schuldig maakte aan precies datgene dat ik Gordon verweet. Touché. En excuses aan de agrarische beroepsgroep.

Februari stelt in dat spraakmakende stukje dat ‘de bovenlaag’ Gordon verafschuwt en Youp van ’t Hek adoreert, terwijl die precies hetzelfde doet. De voorbeelden die hij geeft, zijn overtuigend. Sterker: waar je bij Gordon nog zou kunnen spreken van een uitglijer, hij is tenslotte geen satiricus en beperkt zich doorgaans tot ongevaarlijke kwinkslagen van het type nudge-nudge wink-wink, zijn de bigotte grofheden bij Van ’t Hek vanouds een vast ingrediënt.

Quod licet Iovi, non licet bovi (wat Jupiter mag, mag het rund nog niet) – het is altijd zo geweest maar het staat ook op gespannen voet met de moderne democratie, laat stáán met het populisme, dat het spreekwoord liefst zou omdraaien. Wíe iets zegt, is in de Nederlandse politiek zeker zo belangrijk als wát hij zegt. ‘Foute’ opvattingen worden voor de bühne gehekeld terwijl ze ondertussen in de coulissen druk gepoederd en geparfumeerd worden voor beschaafd gezelschap.

Hulde dus aan Maxim Februari dat hij dit perverse mechanisme nog eens onder de aandacht brengt, maar op zijn betoog valt ook iets af te dingen.

Wat Februari buiten beschouwing laat, is context. Er zijn miljoenen pissoirs op de wereld, anonieme stukken aardewerk om in te pissen, maar één ervan is een kunstwerk, omdat Marcel Duchamp hem in 1917 indiende voor een expositie. Goede satire is een spiegelpaleis, een Villa Volta waar alles voortdurend over zijn as gaat, links is rechts en boven is onder en als je denkt dat je ’t weet is het alweer anders. Zo creëert de satiricus een veilige omgeving voor onveilige ideeën. ‘U deugt, ik deug. Zo, dat hebben we afgesproken, en dan gaan we nu stout doen.’ Dezelfde tekst kan verschillende betekenissen krijgen, afhankelijk van de context. De een zet een boze witte man neer, de ander heeft het over de boze witte man in zichzelf.

Er is een ‘bovenlaag’ die zich stoort aan Gordon, zeker, maar er is vast ook een ‘bovenlaag’ die zich afvraagt wat Youp van ‘t Hek eigenlijk in hun krant doet. Toen het in DWDD over de zaak Gordon ging, leek Matthijs van Nieuwkerk zich te verbazen over de geschokte reacties in het buitenland. ‘Tja,’ zei hij, ‘zij zijn boos, maar wij zijn eraan gewend. Toch?’ De voor-of-tegen discussie is vastgelopen, wat rest is berusting. Noem het een gedoogconstructie.

Een andere vorm van morele klassenjustitie die Februari hekelt, zijn schrijvers die immuniteit claimen tegen juridische actie van gedupeerden, omdat anders hun artistieke vrijheid en meningsuiting in gevaar zou komen. Het Burgerlijk Wetboek geldt uiteraard ook voor fictieschrijvers, daar kunnen we kort over zijn, maar is zo’n claim een voorbeeld van het ‘absolutisme van de bovenlaag’, zoals Februari stelt? Of is het de gefrustreerde fantasie van een beroepsgroep die zijn chronische miskenning gecompenseerd zou willen zien met een laissez passer van de Koning?

‘My name is Jake and this is my brother Elwood. We’re on a mission from God.’

Ik denk dat ‘onderlaag’ en ‘bovenlaag’ geen zinvolle begrippen zijn, omdat ze suggereren dat het over macht gaat. Een avondblad en een schrijversclub hebben meer macht dan het amusant-industriële complex van RTL, SBS, Talpa, Endemol & Co? Meer smaak misschien, om dat omstreden begrip toch even te gebruiken, maar macht?

Jan Kuitenbrouwer is schrijver en directeur van de taalkliniek (taalkliniek.nl).

    • Jan Kuitenbrouwer