Stiefkind van de Nederlandse architectuur

Vaak wordt het rijtjeshuis met hoon overladen. Toch wonen de meeste Nederlanders in zo’n eenvormige, betaalbare woning. Het modernistisch ideaal van ‘licht, lucht en ruimte’ werd ermee verwezenlijkt. Maar anno 2013 is de glorietijd voorbij. Foto’s Luuk Kramer

Het Nederlandse huis is het rijtjeshuis: Nederland is het enige land ter wereld waar de meerderheid van de bevolking in een rijtjeshuis woont. Ruim vier miljoen van de ongeveer zeven miljoenen woningen die Nederland telt zijn rijtjeshuizen oftewel: identieke, aan elkaar geschakelde eengezinswoningen. Dit betekent dat ongeveer 10 miljoen van de bijna 17 miljoen Nederlanders in een rijtjeshuis wonen.

Toch is het rijtjeshuis het stiefkind van de Nederlandse architectuur. Als het al aandacht krijgt, dan wordt het in het beste geval laatdunkend behandeld en in het slechtste geval met spot en hoon overladen. Vooral de doorzonwoning uit de jaren zestig, het bekendste Nederlandse rijtjeshuistype, moet het hierbij ontgelden. Voor cabaretiers is de doorzonwoning het huis van de spitsburgers Henk en Ingrid, die alcoholvrij bier drinken en in een Opel rijden.

Maar juist de gewoonheid maakt het rijtjeshuis ook bijzonder. Het rijtjeshuis laat de meerderheid van de Nederlanders betaalbaar wonen in een huis met een eigen ingang en meestal ook een tuin en heeft zo inmiddels miljoenen mensen een jeugd met veel buiten spelen bezorgd. Niet in de wijken met woontorens in het groen, maar in de zee van rijtjeshuizen is het modernistische ideaal van ‘licht, lucht en ruimte’ verwezenlijkt.

Bovendien heeft het Nederlandse rijtjeshuis een eigen schoonheid. Niet alleen de beroemde rijtjeshuizen van het De Stijl-lid J.J.P. Oud in de Rotterdamse wijk Kiefhoek uit 1926, maar ook de met blauwgrijze houten planken betimmerde doorzonwoningen in Emmen van omstreeks 1970 zijn de Mondriaans van het dagelijkse leven.

Daar komt nog bij dat het Nederlandse rijtjeshuis een mooie en lange geschiedenis kent. Die begon met de minuscule, identieke woningen in de hofjes in oude Nederlandse steden waarvan de eerste aan het einde van de Middeleeuwen zijn gebouwd. Sindsdien is het rijtjeshuis altijd sterk verbonden gebleven met sociale woningbouw. Eerst lieten kerkgenootschappen en filantropen hofjes voor arme weduwen bouwen. Later, in de tweede helft van de 19de eeuw, waren het verlichte fabrieksdirecteuren en woningbouwverenigingen die rijtjeshuizen voor arbeiders en ‘minvermogenden’ financierden.

Toch werd het rijtjeshuis pas ver in de 20ste eeuw het huis van de meerderheid van de Nederlandse bevolking. Na de Tweede Wereldoorlog vonden de meeste stedenbouwers dat hoogbouw de beste vorm van massawoningbouw en werden er niet al te veel rijtjeshuizen gebouwd. Maar nadat de ultieme hoogbouwwijk, de Bijlmermeer in Amsterdam, was uitgelopen op het grootste fiasco in de Nederlandse stedenbouw, gooiden de stedenbouwers het roer radicaal om.

In de jaren 1973-1977, onder het kabinet-Den Uyl, brak het rijtjeshuis door als het huis van de verzorgingsstaat. De vele tientallen bloemkool- wijken die sindsdien zijn gebouwd, worden gedomineerd door rijtjeshuizen met kronkelige paden en hofjes.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staat de verzorgingsstaat onder zware druk. De ministers van het kabinet-Rutte II hebben onlangs gedecreteerd dat de verzorgingsstaat moet worden vervangen door de ‘participatieve maatschappij’. Ook het rijtjeshuis lijkt nu zijn beste tijd te hebben gehad, Steeds meer maakt het plaats voor ‘participatieve’ huizen waaraan de bewoners zo veel kunnen veranderen dat ze nog maar zelden identiek zullen zijn. In 2013 is de glorietijd van het Nederlandse rijtjeshuis voorbij.

Op 16 december verschijnt Het rijtjeshuis. De geschiedenis van een oer-Hollands fenomeen (Nieuw Amsterdam, 176 blz. € 19,95), met 60 foto’s van Nederlandse rijtjeshuizen, gemaakt door Luuk Kramet, en de geschiedenis van het rijtjeshuis in vijf hoofdstukken door Bernard Hulsman.