Het IOC heeft een bange brief geschreven

Tommy Smith en John Carlos hebben het geweten. Op de Olympische Spelen van 1968 in Mexico Stad incasseerden de twee atleten – met gebogen hoofd, een gebalde vuist in een zwarte handschoen en op zwarte sokken – respectievelijk de gouden en bronzen medaille die zij hadden veroverd op de 200 meter. Ze gebruikten het podium van de Olympische Spelen om de aandacht te vestigen op de treurige positie van de zwarte bevolking in de VS. Het effect op korte termijn was dat ze hun doel bereikten, maar ook dat ze de Spelen direct moesten verlaten. Ook werden ze daarna in hun land bedreigd. Het effect op lange termijn was dat hun actie de vermoedelijk bekendste huldiging uit de olympische geschiedenis is gebleven, voor eeuwig verbonden aan de strijd tegen de onderdrukking van een minderheid.

Het Internationaal Olympisch Comité vindt dat de Spelen geen platform mogen zijn voor demonstraties of politieke, religieuze of raciale propaganda. Zo staat het vermeld in artikel 50 van het Olympisch Handvest, hetzelfde artikel dat een verbod op reclame-uitingen bevat. Voor deelnemers aan de Olympische Spelen gelden gedragsgeboden en -verboden die zij vrijwillig aangaan.

De Nederlandse deelnemers bijvoorbeeld tekenen een contract met NOC*NSF. Daarin wordt verwezen naar het ‘Olympic Charter’, inclusief artikel 50, dat overigens slechts van toepassing is in de olympische accommodaties. Sporters weten dat – ook al zullen ze het gevoel hebben geen andere keus te hebben, of ze zouden van deelname moeten afzien.

Toch meent het IOC er nu goed aan te doen sporters in een aparte brief te herinneren aan artikel 50. Kennelijk zijn de sport- bestuurders bevreesd dat de Winterspelen volgend jaar in Sotsji zullen worden gebruikt om aandacht te vestigen op de antihomowetgeving in Rusland. Ook al heeft het IOC eerder dit jaar schriftelijk de expliciete verzekering ontvangen van de Russische overheid dat iedereen welkom is op de Winterspelen en dat er geen discriminatie zal zijn op grond van seksuele oriëntatie.

Gelukkig kan het IOC niet tegenhouden dat sporters zich buiten het olympisch domein uitspreken. Het COC noteerde dat vorig jaar, op de Zomerspelen, 23 deelnemers, onder wie vier Nederlandse hockeysters, openlijk voor hun homoseksuele geaardheid uitkwamen. Slechts 23 op 12.206 deelnemers in Londen, stelde het COC vast. Dat moet beter kunnen. Het is het beste antwoord op de bange brief van het IOC. Laat Rusland en de rest van de wereld luidkeels weten dat de Spelen er voor iedereen zijn. Omdat de Olympische Spelen er ook zijn, zoals in artikel 1 van het Handvest staat, om het respect voor fundamentele ethische principes uit te dragen. Zoals Smith en Carlos het bedoelden.