De chip wordt slimmer dan wij

Technologische vooruitgang is eenvoudiger voor te stellen dan te realiseren. Wat ons écht te wachten staat, kunnen we ons niet inbeelden, zegt Pepijn Vloemans.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

‘Ze beloofden ons vliegende auto’s, maar in plaats daarvan kregen we 140 tekens”, is de gevleugelde klacht van de Silicon Valley-miljardair Peter Thiel (1967) over de stagnerende vooruitgang in technologie aan het begin van de 21ste eeuw.

Thiel, nota bene zelf een vroege investeerder in Facebook, heeft een punt. Na de Tweede Wereldoorlog werd er nog optimistisch gedroomd over een toekomst waarin auto’s vlogen, ruimtereizen vanzelfsprekend waren en supersonisch transport de norm was. Mensen wandelden op de maan, technologie had de leefomstandigheden decennia ervoor dramatisch getransformeerd. Auto’s, vliegreisjes en televisie raakten ingeburgerd. De toekomst beloofde: meer, sneller, beter, hoger.

Het pakte teleurstellend uit voor Thiel: sinds het magische toekomstjaar 2000 is het enige supersonische passagiersvliegtuig ter wereld, de Concorde, na een groot ongeluk opgedoekt en de Space Shuttle is na twee fatale vluchten uit dienst genomen. De enige raketten die krachtig genoeg zijn om ons naar de maan te schieten – de Saturn V’s – zijn weggeroest of liggen in een museum. Van vliegende auto’s of een Marskolonie is weinig terecht gekomen.

Vroeger kwam de innovatie van ingenieurs, vandaag zijn het de programmeurs die de dienst uitmaken. In plaats van spectaculaire technieken kregen we de afgelopen tien jaar tekens en plaatjes: Instagram, Facebook, Google en Twitter – en niet te vergeten de iPhone. Maar dat we YouTube-filmpjes van katten kunnen kijken, is hoogstens een marginale verbetering van onze levens. Peter Thiel heeft gelijk: de toekomst is niet meer wat-ie geweest is.

Of zien we iets over het hoofd?

Twee weken terug was Peter Diamandis, mede-oprichter van het Singularity Institute en auteur van de bestseller Abundance: the future is better than you think (2012) in Nederland. De optimistische en energieke Diamandis had één cruciale boodschap voor zijn publiek: onderschat nooit de kracht van exponentiële curves.

Wanneer we goed kijken naar de gestage groei van transistoren op computerchips, zegt hij, moeten we constateren dat we zijn aanbeland in de knik van de curve – het punt waarna rekenkracht jaarlijks zo snel stijgt dat het ons menselijk inschattingsvermogen permanent te boven gaat. De revolutie speelt zich ditmaal op nanoschaal af. Geen wonder dat we deze over het hoofd zien.

De wet van Moore

Diamandis baseert zich op een trend die inmiddels al een halve eeuw onverminderd doorzet: de ‘wet’ van Moore. Gordon Moore, mede-oprichter van Intel, kwam al in de jaren zestig tot de conclusie dat het aantal transistors op computerchips iedere twee jaar verdubbelde, waardoor de rekenkracht toenam. Om een voorbeeld te geven: toen ik in 1984 geboren werd, telde de toen hypermoderne Intel 386-processor een kwart miljoen transistors. De onlangs geïntroduceerde Xbox One telt er vijf miljard. Dat is niet alles: rekenkracht werd tijdens die periode ook gestaag compacter, energiezuiniger en goedkoper.

De consequenties van deze exponentiële groei zijn nauwelijks te bevatten voor ‘lineair’ denkende mensen. Terwijl volwassen industrieën als chemie, energie en transport nog maar met een paar procent per jaar groeien, zal de kracht van processors de intelligentie van de mens in de komende decennia naar de kroon steken. Wanneer de wet van Moore doorzet – en er zijn geen natuurkundige obstakels die dit verhinderen – hebben we over tien jaar nog steeds geen vliegende auto, maar dankzij slimme computers wel een zelfrijdende.

Maar dat is pas het begin. Want het zijn internet en microchip die onze levens in de komende kwart-eeuw diepgaander zullen transformeren dan de hele 20ste eeuw tezamen. „De mens is een koord, geknoopt tussen dier en übermensch”, profeteerde Friedrich Nietzsche al in Zo sprak Zarathustra (1886). De mens is niet het eindstadium van de evolutie, maar een tussenfase.

Nietzsche gaat gelijk krijgen op een manier die hij zelf niet had kunnen voorzien. De reden hiervoor is simpel: het brein is begrensd in afmeting en gebonden aan een gelimiteerde denkkracht. We moeten het doen met een door de evolutie slordig in elkaar geknutselde set neuronen die nauwelijks nog groeipotentieel heeft.

Vergelijk deze beperkte biologisch denkkracht met de ontwikkeling van computerchips. Als de wet van Moore aanhoudt, kunnen computers binnen twintig jaar denken met de snelheid van het menselijk brein. Niet veel later zullen computers rechten claimen, een rudimentair bewustzijn ontwikkelen en emoties krijgen.

Nog in de eerste helft van de 21ste eeuw zijn we volgens mede-oprichter van het Singularity Institute en uitvinder Ray Kurzweil aanbeland in de technological singularity. Kurzweil, die door Bill Gates werd betiteld als beste voorspeller ter wereld, gelooft dat computers tegen die tijd zo geavanceerd zijn geworden dat ze slimmere versies van zichzelf ontwerpen, die vervolgens weer slimmere versies ontwerpen. De ‘singularity’ treedt in op het moment dat de acceleratie van technologie niet meer bij te benen is voor gewone mensen. In de singularity zal het onderscheid tussen mensen en computers vervallen. Ieder aspect van het leven zoals we het nu kennen zal worden getransformeerd.

Het duizelt je, of je verwerpt deze ideeën? Nadenken over de komst van intelligente machines lijkt op het innemen van hallucinerende drugs. Eerst voel je lange tijd niets. Dan word je een beetje lacherig. Niet veel later begint alles te draaien. Dat je dit alles weigert te geloven, begrijp ik daarom goed. Als biologische intelligentie zijn we sub-optimaal uitgerust in het begrijpen van exponentiële curves. Iemand die de iPhone tien jaar voor zijn introductie had voorspeld zou voor gek zijn verklaard. „We have to get better in believing the impossible”, meent Kevin Kelley, auteur van What technology wants (2010).

Zo is het. Vliegende auto’s bleken eenvoudiger voor te stellen dan ze te realiseren waren. Voor kunstmatige intelligentie is dat precies andersom: we kunnen ons moeilijk voorstellen wat ons te wachten staat. En dat is, afhankelijk van je persoonlijkheid, spannend of doodeng.

    • Pepijn Vloemans