‘Amsterdam is te zelfgenoegzaam geweest’

De Nederlander Rein Wolfs kreeg in april een van de belangrijkste banen in de Duitse kunstwereld: directeur van de Bondskunsthal. „De cultuuromslag in Duitsland is enorm.”

Rein Wolfs, directeur van de Kunsthalle in Bonn Foto Roger Cremers

Af en toe klinkt een licht Duits accent door, zoekt hij naar een Nederlands woord of gooit hij er plots een germanisme tussendoor. Na zijn studie kunstgeschiedenis in Amsterdam in de jaren tachtig werkte Rein Wolfs lange tijd in Zwitserland en Duitsland bij kunstinstellingen als het Migros Museum voor hedendaagse kunst in Zürich en het Fridericianum in Kassel. De laatste maanden wordt hij genoemd als mogelijke kandidaat voor de opvolging van Ann Goldstein bij het Stedelijk Museum Amsterdam. Als enige Nederlander.

Over een eventuele kandidatuur zegt Wolfs, die van 2002 tot 2007 hoofd presentaties bij Museum Boijmans Van Beuningen was, niets. Hij heeft pas sinds maart een prestigieuze nieuwe baan: directeur van de Kunst- und Ausstellungshalle der Bundesrepublik Deutschland in Bonn. Een vlaggeschip van de Bondsrepubliek dat met 16 miljoen euro per jaar een kwart meer subsidie krijgt dan het Stedelijk.

„In de lange naam van de Kunsthalle zitten drie dingen besloten”, legt hij uit. „We laten niet alleen kunst zien, maar hebben ook tentoonstellingen op het gebied van cultuurgeschiedenis, wetenschap, mode en architectuur. Het derde element is dat wij de enige officiële federale instelling op kunstgebied zijn. We moeten exposities organiseren die de hele Bondsrepubliek aanspreken. Daarmee krijg je niet heel Duitsland over de vloer, maar onze projecten moeten wel een bundesdeutsche Bedeutung hebben.” De huidige over kunstenaars, vooral Duitse, tijdens de Eerste Wereldoorlog is daar een voorbeeld van.

Wolfs moet de Kunsthalle uit het slop trekken, na jaren van financiële problemen en een bezoekersaantal dat tot minder dan een half miljoen terugliep.

Moet u blockbusters programmeren?

„Dat moet iedereen in het huidige museale bedrijf als je ook specialistischere exposities wilt maken. Alleen dan kun je economisch verantwoord functioneren en ben je tegelijk maatschappelijk relevant. De hoge subsidie dwingt om rekening te houden met een brede laag van de Duitse bevolking. De Malevitsjexpositie die nu in het Stedelijk Museum is, komt later bij ons. Daar ben ik blij om. Een blockbuster hoeft niet gemakkelijk gemaakt te zijn. Deze Malevitsj is wetenschappelijk verantwoord, er is veel geld en tijd in gestoken en hij klopt. Als wij hem niet brengen, zou het tien jaar kunnen duren voor zoiets naar Duitsland komt. Of hij komt nooit meer.”

Moeten exposities in de Kunsthalle geen Duitse link hebben?

„Dat is niet noodzakelijk. Ik wil wel een aantal Duitse kunstenaars goed positioneren. In de 21 jaar dat deze kunsthal bestaat zijn de grote Duitse kunstenaars van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig goed voor het voetlicht gebracht, zoals Anselm Kiefer, Georg Baselitz, Gerhard Richter en Sigmar Polke. Maar ik wil een nieuwere generatie kunstenaars tonen. Ik heb snel een tentoonstelling kunnen maken van John Bock en wil graag iets doen met werk van Hanne Darboven en Gregor Schneider.

„Ik wil ook andere persoonlijkheden uit de Duitse cultuur tonen. Pina Bausch bijvoorbeeld, de choreografe die dicht tegen de beeldende kunst aanzat met haar kostuums en bühnebeelden. En Karl Lagerfeld. Die moeten we precies en goed doen, anders wordt het snel voor populisme versleten. Hij is de belangrijkste Duitse modeontwerper van de laatste veertig jaar. Lagerfeld was een uitzondering na de oorlog. Tijdens de wederopbouw stond efficiëntie voorop, Duitsland wilde niet langer vooroplopen met design en architectuur. Er is de laatste twintig jaar veel dynamiek gekomen door de internationalisering van Berlijn. Duitsland telt weer mee op allerlei terreinen. Zelfs het voetbal is aantrekkelijker dan ooit. De cultuuromslag is enorm.”

Moet de Kunsthalle dan niet naar Berlijn?

„Die stemmen zijn in Berlijn wel opgegaan. Wij werken samen met Martin Gropius Bau in Berlijn, waar we nu jaarlijks een expositie kunnen organiseren. Berlijn is een stad waar heel veel gebeurt en waar iedereen is, maar waar heel weinig geld is.”

Dus moet u publiek trekken naar Bonn.

„Wij zitten in het Rijnland in een regio met 25 miljoen mensen. We hebben hier ongelooflijk veel musea, van de hoogste kwaliteit. Zoals het Ludwig in Keulen, Museum Kunstpalast en K20 en K21 in Düsseldorf of Folkwang in Essen. Concurrentie kan voor verlevendiging zorgen.

„Ook in Nederland als het museum van Joop van Caldenborgh opengaat. Hij kan de musea laten zien wat ze hebben laten liggen. En wat een gefocust museum aan voordelen biedt. In Nederland moeten grote musea alles doen: de grote tentoonstellingen maar ook cutting edge zijn en een gezellige plek zijn waar je met je hele familie heen kunt gaan. Dat zijn lastige dingen om samen te brengen.”

Voor hedendaagse kunst moeten wij straks naar Wassenaar?

„Ook al is het misschien haast pervers. Van Caldenborgh heeft de afgelopen twintig jaar op grote schaal actuele kunst verzameld. De musea hadden moeite dat bij te benen. Dat heeft te maken met financiële draagkracht, maar ook met een ander gevoel voor internationale verhoudingen.”

Zijn ze dat gevoel kwijtgeraakt?

„Een tijdje wel. Het is belangrijk dat het Stedelijk nu weer open is. Als je alsmaar moet vertellen dat je dicht bent, dan verdwijnt je zelfvertrouwen. Dat is nu terug, dat voelen wij ook in onze samenwerking rond de Malevitsjtentoonstelling. Bij de Nederlandse musea merk je tegelijk de effecten van de financiële kaalslag. Maar er worden daardoor ook nieuwe dingen ontwikkeld. Nederland heeft misschien wel een remmende voorsprong. Het heeft eerder de bezuinigingen gehad die musea in andere landen nog krijgen.”

Waarom ging u naar het buitenland?

„Ik vond het in de jaren tachtig een voorrecht om in Amsterdam te studeren. Maar ik vond Amsterdam te zelfgenoegzaam geworden. We bleven lekker in de grachtengordel hangen, en gingen met onze kunstenaarsvrienden in de kroeg bier drinken. We voelden ons de besten in de wereld en hoefden van niemand iets te leren. Dat gelukssyndroom neem ik nu soms ook waar in Berlijn. En dat is gevaarlijk. Amsterdam is zo zijn internationale positie kwijtgeraakt. De stad is ook te laat geweest met zijn museumnieuwbouw. Het zou beter zijn geweest als dat tien of twintig jaar eerder was gebeurd, zodat meer geprofiteerd had kunnen worden van de economische bloeiperiode. Zoals Tate Modern vanaf 2000. In de jaren tachtig kon je nog beter naar het Stedelijk gaan dan naar Londen. Daar gebeurde toen niet zoveel.”

Kan Amsterdam nog een prominente plek in de wereld krijgen? Bijvoorbeeld door bruggenhoofd naar Azië te zijn?

„Misschien wel ja. En ook naar Zuid-Amerika, waar in landen als Brazilië of Peru veel gebeurt en particuliere collecties heel groot zijn geworden. Chris Dercon is bij Tate helder en duidelijk met zijn globaliseringsbeleid. In Nederlandse musea is er nog geen begin mee gemaakt, met uitzondering misschien van het Van Abbemuseum. Vanuit de cultuurpolitiek zijn er wel stemmen geweest om meer buitenlandse museumdirecteuren te benoemen. Toen heeft men Europeanen en Amerikanen gehaald. Maar geen mensen uit de nieuwe wereld. Ik denk dat het nu tijd is voor impulsen uit en aandacht voor die hoek.”