Achter de woeste koppen gaat een warm volk schuil

Judith Spiegel arriveerde in 2009 in Jemen. In een boek dat ze voor haar ontvoering maakte, beschrijft ze haar grote liefde voor de Jemenieten, maar ook dat de islam het land in een prehistorische houdgreep houdt. Hieronder passages uit de inleiding van dit boek.

‘Ik weet op dat moment niet veel van Jemen, want er is weinig informatie. Er is slechts een handjevol boeken over het land en die zijn vaak heel specialistisch. Internetbronnen zijn ook schaars. Het internet staat in Jemen in de kinderschoenen en geen enkele organisatie heeft een behoorlijke website. In het beste geval krijg je wat verouderde foto’s en onbetrouwbare cijfers. Toerisme is er weinig dus ook op die manier komt er niet veel informatie over het land naar buiten. Eigenlijk is Jemen nog steeds heel geïsoleerd, ook in geografische zin: het land wordt grotendeels begrensd door de zee en het ontoegankelijke Saoedi-Arabië. Ik vind dat niet erg, ik vind dat juist aantrekkelijk. Jemen voelt als een schatkist waarin allerlei dingen verborgen zitten. Wat is het eigenlijk voor een land? Wie zijn de Jemenieten? Waarom zijn de meesten die Jemen wél kennen altijd zo enthousiast? Ik heb wel iets gelezen over stammen, qat en mannen die dolkjes dragen, maar dat zegt niet zo veel op papier. Het klinkt eigenlijk, als ik erover nadenk, allemaal wat griezelig. Donker, als in de Middeleeuwen. En zo voelt het ook, in het begin. (...)

’s Avonds mail ik mijn vriend Boudewijn, die in Nederland is achtergebleven, en zeg dat ik Jemen maar raar vind en eraan denk om ergens anders Arabisch te gaan leren en mijn nieuwe carrière als journalist te beginnen. Want dat kom ik hier doen. Na vijftien jaar in de juristerij – als wetenschapper, advocaat en universitair docent – besluit ik te gaan doen wat ik altijd heb gewild: journalist worden in het Midden-Oosten. Ik vind de juridische puzzels heel boeiend, maar het advocatenleven veel minder. De zekerheid van een riant salaris interesseert me niet zo. Ik wil liever rare dingen zien, bijzondere mensen spreken, geen standaard dagindeling hebben, elke dag verbaasd worden. Jemen lijkt me daarvoor een goed startpunt. Bovendien kan ik er Arabisch leren, staat het niet hoog op de ranglijst van belangrijke landen en ligt het in een uithoek.

Je kunt er niet drinken en moet bedekt over straat. Kortom, het wemelt er niet van de journalisten. (...)

Het duurt niet lang of ik heb Jemen en de Jemenieten in mijn hart gesloten. Achter de woeste koppen blijkt het warmste volk te schuilen dat ik ooit heb ontmoet. Er ontstaan vriendschappen met Belqis, Ramzy, Asaad, Huda, Hussein, Adel, Taghrid en andere bijzondere mensen. Boudewijn, die in maart 2010 naar Jemen is gekomen, is in korte tijd net zo dol op het land geworden.

Jemenieten zijn meestal aardig en vrolijk. Ze zingen op straat, doen een pluk basilicum achter hun oor, zetten een schoenendoos op hun hoofd tegen de zon of een pan tegen kogels, en niemand kijkt ervan op. Dat komt omdat Jemenieten basiet zijn, leggen ze me uit. Basiet betekent simpel. Zo vertalen ze het ook naar het Engels. Zelf noem ik het liever onbevangen of ongepolijst. Als er bijna geen buitenlander in Jemen meer te bekennen is, kom ik een jongen tegen op straat. Ik ken hem niet. Hij blijft stilstaan, kijkt me aan en zegt : ‘Hello!’. Dan zwijgt hij even, denkt na, en roept luid: ‘You are the only one in Yemen!’ (...)

Ik reis in het begin ook veel alleen. Op bootjes en achter op brommers. Het kan allemaal. Later reizen Boudewijn en ik samen. (...)

Mijn thuis is Sana’a, de rommelige hoofdstad. Sana’a bestaat uit een oude stad en een nieuwe stad. In de nieuwe stad staan lelijke betonblokken met blauw spiegelglas, er hangen schreeuwerige uithangborden, de lucht is grijs van de uitlaatgassen, de parken zijn dor en schamel. Een stad zoals vele in de derde wereld.

De oude stad is wonderschoon, een sprookjesstad. Huizen van vier of vijf verdiepingen hoog, van bruin baksteen en wit pleisterwerk. Peperkoekhuizen worden ze vaak genoemd. Al die peperkoekhuizen vormen een organisch geheel waar nooit een architect aan te pas is gekomen. Tussen de huizen lopen smalle straatjes waar dikke SUV’s zich doorheen wurmen. Elke dinsdag is er een ezelmarkt aan de rand van de souq. De oude souq van Sana’a, souq al milh heet hij in de volksmond, de zoutmarkt, is een wondere wereld. Je koopt er rattengif, dadels en feestjurken. Elk deel van de souq heeft zijn eigen specialiteit. Er zijn steegjes met timmerlieden, smeden, messenslijpers, kleermakers, rozijnenhandelaren. Het ruikt er naar kruiden, kebab en ezelpoep. En zo ruikt het er al honderden jaren. (...)

Ik ben makkelijker geworden in Jemen. Lekkages of slecht werkende elektra worden met een rolletje tape opgelost. Ik vind het prima. Alles wordt op het laatst geregeld of afgezegd, ook best, kan ik dat lekker ook doen. Dat er nergens vaste regels voor zijn, vind ik ook fijn. Alles valt te ritselen. (...)

Toen ik naar Jemen kwam, had ik een soort zendingsdrang om Nederland te laten zien dat het allemaal wel losloopt met de islam. Dat is mislukt. Hoe langer ik hier ben, hoe meer ik tot de conclusie kom dat het helemaal niet meevalt. Ik worstel dagelijks met de islam zoals die hier wordt gepraktiseerd en elke ontwikkeling in de weg staat. Hoe lief en leuk ik de Jemenieten ook vind, als een vriend mijn hond niet kan aanraken omdat hij dan niet meer rein is voor het gebed, word ik kregelig. Als je in een land geen tampons kunt krijgen omdat die een groot gevaar zijn voor het maagdenvlies, is er wat mij betreft iets mis. En ik heb het dan nog niet over het feit dat vrouwen slechts de helft erven van wat haar vader nalaat, de helft aan bloedgeld opleveren en op hun tiende kunnen worden uitgehuwelijkt. Toen de profeet met Aisha trouwde was ze immers ook pas negen, zeggen de Jemenitische islamgeleerden.

Natuurlijk denkt niet elke Jemeniet er zo over, maar door de bank genomen houdt de islam dit land in een prehistorische houdgreep.

Het boek Een hoofddoek tegen kogels, bijzondere verhalen uit Jemen van Judith Spiegel verschijnt morgen. Uitgever Link, prijs 18,95 euro, 224 blz.