Accountant faalde bij Econcern

Bij het inmiddels failliete Econcern maakten de bestuurders en de accountant grote fouten. PwC keurde gemanipuleerde jaarrekeningen ‘klakkeloos’ goed, aldus de curatoren.

Komt er ooit een eind aan? Bedrijfsbesturen die zo in hun eigen succes gaan geloven dat ze de werkelijkheid uit het oog verliezen, en ook geen strobreed in de weg krijgen gelegd. Niet door de aandeelhouders, niet door de raad van commissarissen en, voor de zoveelste keer, niet door de accountant. Met als gevolg dat de bestuurders hun bedrijf naar de rand van de afgrond brengen. Of erover heen duwen.

Het gisteren verschenen onderzoeksrapport over het faillissement van Econcern, een bedrijf dat zich specialiseerde in duurzame energie, past naadloos in dit beeld. De twee curatoren Willem Jan van Andel en Louis Deterink schetsen in hun rapport een beeld van megalomanie en geldsmijterij, dat juni 2009 eindigde in een van de grootste faillissementen van Nederland, gemeten in werknemers (1.400). Schuldeisers hebben 1 miljard euro geclaimd bij de curatoren.

Ze schetsen ook een beeld van een zwakke accountant, die de gemanipuleerde jaarrekeningen van 2006 en 2007 „klakkeloos” goedkeurde. Die accountant was in dit geval PwC. De twee curatoren hebben een tuchtklacht tegen PwC ingediend bij de Accountantskamer in Zwolle. In een persbericht laat het accountantskantoor weten afstand te nemen van de conclusies in het onderzoeksrapport.

Het is een verhaal van alle tijden. Exemplarisch is de ontsporing van het Amerikaanse energiebedrijf Enron, in 2001. Er bleek op grote schaal boekhoudfraude gepleegd. Het kostte accountant Arthur Andersen de kop.

Ook Nederland heeft hierin een traditie. Bekend is het boekhoudschandaal van Ahold (2000-2002). Ict-bedrijf Landis ging over de kop (2002) door een combinatie van grootheidswaan en zwakke controle van de boeken. En recent (2011) gebeurde bij woningcorporatie Vestia hetzelfde.

Ook bij Econcern was er veel mis, zo blijkt uit het onderzoeksrapport. De vierkoppige raad van commissarissen bestond jarenlang voor de helft uit managers van het eigen bedrijf. Ook de combinatie van een door idealisme gedreven bestuursvoorzitter en een geslepen financieel bestuurder, deed het bedrijf meer kwaad dan goed.

En de accountant voerde zijn controlerende taak niet naar behoren uit, schrijven Van Andel en Deterink. Zo melden de jaarrekeningen over 2006 en 2007 een winst van respectievelijk 43 en 85 miljoen euro. In werkelijkheid werd in 2006 nauwelijks winst gemaakt, en in 2007 een verlies.

Kan het anders? Volgens Harry Verbon, hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit Tilburg, moet er nóg meer afstand komen tussen bedrijf en accountant. „Het is raar dat de accountant nog steeds door het bedrijf zelf wordt uitgekozen en aangesteld. Alsof de werkgever iemand in dienst neemt.” Laat een onafhankelijk orgaan de accountant aan bedrijven toewijzen, zegt hij.

De vraag blijft waarom het maar niet lukt om de onafhankelijkheid van de accountant te waarborgen. De ondergang van Enron leidde in de VS tot aangescherpte antifraudewetgeving. Maar de Sarbanes - Oxley wet wist de fraude bij Ahold niet te voorkomen.

Critici menen dat aan de kern van het probleem niets gedaan werd. En dat is dat de accountant wordt betaald door diegene die hij, in dienst van het publieke belang zou moeten controleren. In Nederland is dit jaar wetgeving in werking getreden die het accountantskantoren verbiedt om naast de wettelijk verplichte financiële controle bedrijven ook financieel of strategisch advies te geven. Met name aan het advieswerk verdienen de accountants geld waardoor zij minder kritisch zouden zijn op de boeken.

Toch moest toezichthouder AFM afgelopen voorjaar concluderen dat de grote vier accountantskantoren Ernst & Young, PWC, KPMG en Deloitte een loopje nemen met de nieuwe wet. Zij zouden die massaal proberen te omzeilen. Ruim tien jaar na Enron is de onafhankelijke accountant nog steeds geen uitgemaakte zaak.