Snorren

Geen slecht nieuws: de jacht op de snorscooter is begonnen. De vier grootste steden hebben de ministers van Justitie en Verkeer gewaarschuwd: „Snorscooters zijn snelheidsmaniakken” en „De fietser wordt bedwelmd en geïntimideerd door langsracende en stinkende scooters.” Ik zou er nog aan willen toevoegen: „Snorscooters zijn ook een groot gevaar voor op zebrapaden overstekende voetgangers en voor op stoepen spelende kinderen, suffende grijsaards, zonnende katten en poepende duiven.”

Laatst had ik een Canadese vriendin op bezoek die enkele jaren niet meer in Amsterdam was geweest en daarom argeloos aan een voettocht van het Centraal Station naar het Stedelijk Museum was begonnen. Ze wist niet wat haar overkwam. Vooral scooters en fietsers negeerden stoplichten alsof het feestverlichting betrof en waagden zich ook op de trottoirs als het hun beter uitkwam. Ze had zich opgejaagd en onveilig gevoeld.

Er wordt al genoeg op Amsterdam gekankerd, dus vroeg ik: „Bij jullie zal in de grote steden toch ook wel eens een motorfiets de stoep opzwaaien?” Ze keek me licht verbijsterd aan. „Welnee”, zei ze, „zo iemand zou meteen worden aangehouden.”

Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag willen de snorscooter van het fietspad naar de weg zien te krijgen. In dat geval zal de snorfietser een helm moeten dragen. Van enkele rijders begreep ik dat dit het ergste is wat hun kan overkomen. Ze vinden het te warm, ze missen de frisse bries door het wapperende haar.

De brancheverenigingen BOVAG en RAI wijzen het voorstel ook af: „Het verklaart de snorfietser vogelvrij met alle risico’s voor verkeersveiligheid van dien.” Met de verkeersveiligheid van de gewone fietser hebben ze bij BOVAG en RAI niets te maken: may he rot in hell. Dat bejaarden in de drukke stad niet meer goed op de fiets durven en kinderen van hun ouders niet meer op de fiets mógen, daar hebben die autojongens geen boodschap aan. Zij willen er geen concurrent op de weg bij. Sterven doe je maar op het fietspad, niet op de autoweg.

„Autorijders massaal door rood”, kopte Het Parool onlangs. Op het drukste punt van Amsterdam, bij de Amstelveenseweg, bleken dagelijks 2.700 auto’s door rood te rijden. Op veertien kruispunten in de stad reden tussen de zes en elf procent van de automobilisten door rood. Er zou meer gecontroleerd moeten worden, maar een woordvoerder van de politie liet weten dat dit geen prioriteit had: overvallen en inbraken gingen voor – je zou het niet zeggen als je de cijfers van opgeloste inbraken zag.

Onlangs zag ik in het centrum een fietser zonder licht tegen de rijrichting een weg inslaan. Hij moest vlak langs een politieauto die voor het stoplicht stond te wachten. Ik bleef gebiologeerd toekijken. Die agenten hoefden alleen maar hun portier open te zwaaien om in te grijpen. Maar ze bleven zitten. Ongetwijfeld op weg naar de zoveelste onoplosbare inbraak.

Ik vermeld het maar even voor degenen die nu roepen dat meer politiecontrole op de fietspaden de snode snorders tot rede zal brengen. Dan zouden alle problemen opgelost zijn. Vergeet het. Dat wordt een controle van een, twee keer per jaar, uitgevoerd met veel poeha, maar uiteindelijk zonder enig effect.

De snorscooters vermenigvuldigen zich als konijnen. „Amsterdam moet geen Rome of Milaan worden”, heeft wethouder Wiebes gewaarschuwd. Het spijt me, meneer Wiebes, het is al bijna zover.