Opinie

    • Simone van Saarloos

Simone Chronisch te laat

Laatst zei een vriendin iets waarvan het venijn nog in me zit. Zoals altijd kwam ik ruim twintig minuten te laat het café binnen. Nog voor ik aan de reeks smoezen begon die ik onderweg op de fiets had verzonnen, zei ze: „Mijn moeder zegt dat mensen die altijd te laat komen niet volwassen willen worden.”

Ik had zin om te zeggen dat volwassenen saai zijn. Ik had zin om te zeggen dat mensen die punctueel zijn gewoon tijd te veel hebben, dat ze de verkeerde prioriteiten stellen en kleinzielig vasthouden aan ouderwetse etiquette. Ik hield mijn mond en verscheurde bierviltjes, frunnikte net zolang tot mijn kinderlijke rancune in snippers Heineken-groen op tafel lag.

Dankzij mijn vriendin, zag ik mijn eigen snobisme fel verlicht. Zo laat ik de dingen thuis graag versloffen, omdat dat me een gevoel van urgentie geeft. Zodra er overal oude kranten liggen en lege koffiekopjes aan het aanrecht kleven, begin ik langzaam maar zeker te voelen dat ik leef. Hetzelfde geldt voor secundaire dingen als ontharing: wanneer mijn oksels donzig zijn, heb ik belangrijker dingen te doen. Het verslonzen van de banale werkelijkheid is een teken van mijn eigen vitaliteit.

„Misschien moet je me straf geven”, opperde ik. Als kind kwam ik immers nooit te laat, omdat er straf op stond.

Ik keek onder de tafel en zag dat mijn vriendin blauwe glitterpumps droeg, geen slechte schoenen om te kussen.

„Dat was gewoon omdat je ouders je overal naartoe brachten.”

Aan haar kant van de tafel lagen de bierviltjes netjes en heel op een rij.

Ooit zag ik in de Albert Heijn een kind dat in een tuigje aan de lijn zat. De moeder hield de lus om haar pols terwijl ze boodschappen voor een week op de kassaband laadde. Het kind wachtte geduldig als een hond en ik dacht: dat nooit.

Te laat komen is een kleinschalige manier om telkens opnieuw te zeggen: een tuigje past mij niet. Te laat komen is een bewijs van vrijheid. Het is zeggen: de tijd die temt mij niet.

„Je bent gewoon een snob”, zei mijn vriendin.

Net als je moeder, slikte ik in.

Het is wachten op iemand die het chronisch te laat komen als een neurologische afwijking definieert. Dan zijn alle halfslachtig filosofische smoezen in één klap overbodig en krijg ik een bandje mee voor om mijn pols waaraan iedereen direct ziet dat ik er helemaal niets aan kan doen dat de wereld op mij wachten moet. Tot die tijd is er altijd nog het gelijk van mijn moraliserende vriendin: „Supertof hoor, die vrijheid van je. Maar ook gewoon ontzettend asociaal.”

    • Simone van Saarloos