Schitterende Mahler van het Boedapest Festival Orkest

Het Boedapest Festival Orkest is een muzikale mix van Hongaarse weemoed, Weense elegantie en zigeunerbloed. Dat maakt het beste orkest van Oost-Europa bij uitstek geschikt voor de eclectische muziek van Gustav Mahler. Bovendien bouwt de Hongaars-Nederlandse oprichter Iván Fischer al dertig jaar eigenzinnig aan de klankcultuur: kamermuziek wordt sterk gestimuleerd, het stemmen van de instrumenten verloopt ongewoon en bijna schools via meerdere tonen.

Dankzij die discipline staat het relatief jonge orkest nu terecht in de serie ‘Wereldberoemde Symfonieorkesten’ van het Concertgebouw, waar het nu zelfs in de prestigieuze Mahlersymfonieën kan concurreren met de absolute top.

In de herinnering was de Negende van Mahler die ditzelfde orkest in 2004 in de ZaterdagMatinee speelde, licht en vlot maar eigenlijk nog een maatje te klein voor echte concurrentie met het Concertgebouworkest en de Wiener Philharmoniker.

Maar maandag werd met die Negende symfonie bewezen dat het Hongaarse orkest geen zwakke plekken meer kent. Het omvangrijke eerste deel bood meteen een rijkdom aan sinistere fagotten, soms groteske violen en stoer koper dat op gepaste momenten galmde als een misthoorn.

Huiveringwekkend was het moment dat Fischer de beweging bevroor, waarna een harp zich moeizaam lostrok en de weg voor een troostrijke vioolmelodie werd vrijgemaakt. Ook in de schijnbaar uit de losse pols gespeelde Ländler bleek het orkest in bloedvorm, met diabolische walsjes en uitgekiende boerenaccenten.

Even leek Fischer de mystiek te vergeten, toen in het Rondo rap over dat magisch verstilde trompetmoment heen werd gespeeld. Al kon dit vanuit de partituur deels worden verantwoord: de grote tempovertraging die dirigenten zich midden in dit hectische Rondo vaak permitteren, strookt niet echt met Mahlers aanwijzing ‘iets teruggehouden’.

Het schitterende afsluitende Adagio maakte elk mogelijk gemis goed. De weldadig donkere strijkersklank deed het bloed stollen, om onder Fischers trefzekere leiding, in wat een eeuwigheid later leek, ongehoord zacht in het niets te verglijden.

Floris Don

    • Floris Don