Niemand weet of het hier goed gaat komen

In de Centraal-Afrikaanse Republiek wordt op grote schaal gemoord en geplunderd Een Franse interventie heeft het geweld geluwd Een ‘nieuw Darfur’ dreigt nog altijd

Redacteur Afrika

In de wijk Fouh in Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), stond gisteren een moskee in brand. Aangestoken. Christenen liepen met met houten knuppels en machetes over straat. „Moslims willen we hier nooit meer zien”, zei een van de aanvallers tegen een journalist van het persbureau AFP.

Zo is de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek, negen maanden na de verdrijving van president François Bozizé door een losse alliantie van islamitische strijders onder de naam Séléka. Séléka, in feite een allegaartje van islamitische extremisten, gewone misdadigers, economische gelukzoekers, stropers en gerekruteerde kindsoldaten, duwde het toch al straatarme land nog verder in de ellende. Islamitische huurlingen uit de buurlanden Tsjaad en Soedan hielpen een handje.

Met name de christenen, ruim 80 procent van de bevolking, moesten het ontgelden. Hulpverleners en diplomaten waarschuwden de laatste tijd steeds nadrukkelijker voor een humanitaire ramp en zelfs een dreigende genocide – vergelijkbaar met wat eerder in Darfur gebeurde. „In Bangui riekt het nu naar massamoord”, constateerde NRC-correspondent Koert Lindijer twee weken geleden in de hoofdstad.

Tot een genocide is het (nog) niet gekomen. Veel streken zijn zo afgelegen, dat informatie mondjesmaat naar buiten komt. Wat wel bekend is: sinds vorige week zijn in Bangui meer dan vierhonderd doden gevallen bij geweld tussen islamitische strijders en christelijke milities. Dat hadden er duizenden kunnen zijn als Frankrijk donderdag niet de eerste militairen van een interventiemacht naar de Centraal-Afrikaanse Republiek had gestuurd, zei de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Laurent Fabius, afgelopen maandag.

Op die dag begonnen de Franse militairen met het ontwapenen van milities in Bangui. Sindsdien is het geweld daar inderdaad geluwd. Maar veilig is het er nog allerminst, getuige de brandstichting van de moskee in de wijk Fouh. Elders in de hoofdstad werden in de nacht van maandag op dinsdag zeker zes moslims gelyncht, uit vergelding van christenen tegen wreedheden die islamitische strijders eerder begingen. En in dezelfde nacht sneuvelden twee Franse militairen toen ze in de buurt van het vliegveld onder vuur werden genomen.

Politieke logica is ver te zoeken in de CAR, waar elk perspectief op goede banen voor jongeren ontbreekt.

Het conflict in de CAR heeft steeds meer een religieus karakter gekregen. Op het platteland hebben zich de afgelopen maanden zogeheten Anti-Balaka strijders georganiseerd, de meesten christenen, uit zelfverdediging tegen de islamitische aanvallers. De jongste geweldsgolf werd vorige week donderdag ingezet toen dergelijke christelijke milities Bangui aanvielen en strijders van Séléka belaagden die bezit hadden genomen van de hoofdstad. Duizenden inwoners zochten een veilig heenkomen, bij het vliegveld en in kerken, kloosters en moskeeën. Anderen begonnen zich te bewapenen met geweren en machetes.

Geen garantie dat de rust terugkeert

Volgens Thibaud Lesueur, analist van de International Crisis Group (ICG), is de aanwezigheid van de Franse troepen en die van de Afrikaanse Unie geen garantie dat de rust nu weerkeert in de CAR. De christelijke milities trokken zich donderdag terug op het platteland rond Bangui, maar zonder veel verliezen te lijden, en ze zijn nog steeds zeer goed bewapend. Daarbij zijn er geruchten dat ze steun krijgen van voormalige regeringssoldaten die zeggen nog steeds loyaal te zijn aan de in maart verdreven president François Bozizé.

Denkbaar is het scenario van een ‘stadsoorlog en religieuze slachtingen’, schrijft Lesueur op zijn blog. Gevreesd moet worden dat de Franse troepen in aantal te zwak zullen staan om zo’n massale clash tussen strijders van Séléka en Anti-Balaka in te dammen. Ook is mogelijk dat de christelijke milities Bangui niet zullen aanvallen, maar dat de stad „tactisch en psychologisch onder belegering” blijft.

Slechts in het gunstigste scenario is ontspanning mogelijk, maar dan moeten moslimleiders en christelijke leiders voldoende gezag kunnen uitoefenen om de strijders tot ontwapening en verzoening te bewegen. „Niemand kan dat beantwoorden”, reageerde de Franse ambassadeur bij de VN, Gérard Araud, deze week op de vraag of de huidige Franse troepensterkte en die van de Afrikaanse Unie de komende maanden voldoende is om de situatie in de CAR te stabiliseren.

Gisteravond kwam de Franse president François Hollande alvast poolshoogte nemen toen hij op weg naar huis vanuit Johannesburg een korte tussenstop maakte in Bangui. Hij wilde de Franse militairen een hart onder de riem steken na het sneuvelen van twee landgenoten. En hij wilde een hartig woordje wisselen met Michel Djotodia, de rebellenleider die zich in maart namens Séléka liet uitroepen tot de nieuwe president.

Djotodia heeft gezegd de komst van de Franse militairen toe te juichen, maar in de praktijk blijkt hij niet of nauwelijks grip meer te hebben op de verschillende milities van zijn Séléka. Dat maakt een uitweg uit de huidige crisis alleen maar ingewikkelder.