In tramlijn 25 kwam de hele stad voorbij

De Amsterdamse tramlijn 25 rijdt zaterdag haar laatste 71 rondjes. Verslaggever Bas Blokker leerde er de stad in kennen. „Na het Weteringplantsoen begon de echte stad.” Illustrator Guido van Driel gaf zijn impressie op de tram die ook Anne Frank vaak genomen moet hebben.

De route die tram 25 rijdt. Sinds 2003 wordt de tram in de Pijp een stukje omgeleid omdat een metrostation voor de Noord-Zuidlijn wordt aangelegd in de Ferdinand Bolstraat.

De mooiste herinnering: een koele ochtend, de eerste tram remt voor halte Victorieplein, vonken schieten van de wielen en verhitten de dauw in de rails. Tram 25 komt dampend als een stier tot stilstand.

Lijn 25 is wat conducteurs en bestuurders „een slaaplijntje” noemen. Weinig reuring, rustig publiek, beleefd, voor zover Amsterdammers beleefd zijn. Altijd zit er wel een wat oudere vrouw met citroengeel haar in. De 25 verbindt de Amsterdamse Rivierenbuurt – in de jaren 1920 opgezet voor de middenklasse – met het centrum en Centraal Station. Nog een paar dagen dan, want de lijn wordt, ondanks protesten en petities, zaterdag opgeheven. Het Gemeentelijk Vervoerbedrijf moet bezuinigen, de 25 is de minst rendabele lijn van de stad en bovendien rijden er op het grootste deel van het traject ook andere lijnen.

Anne Frank, die van 1933 tot 1942 woonde op het Merwedeplein, zal hem ongetwijfeld vaak genomen hebben op weg naar de stad of naar de Albert Cuypmarkt – tot de bezetter hem voor Joden verbood. In juni 1942 schrijft ze in haar dagboek: „Het is smoorheet, iedereen puft en bakt, in die hitte moet ik alles aflopen. Nu zie ik pas hoe fijn een tram toch is, vooral een open, maar dat genot is voor ons joden niet langer weggelegd.”

Mijn vroegste blik op de stad was door de ruiten van lijn 25. De Ferdinand Bol. De Albert Cuyp, waar het wemelde van de hoofddoekjes, omdat alle vrouwen hun haren toen nog beschermden met een sjaaltje of met een plastic kapje als het regende.

Het Weteringplantsoen waar de lente met krokussen het eerst de stad binnenkwam. Ik staarde, het lezen net machtig, naar de raadselachtige woorden ‘opstaan voor iemand, misstaat niemand’ die in elke tram op de ramen waren geplakt.

Daarachter begon de echte stad. De grachten. De Munttoren. De Dam. En vooral de Bijenkorf – een herinnering waarin het altijd december is en schemerig, de ruiten van de tram beslagen doordat de reizigers nat van de regen zijn ingestapt. In het donker lichten de etalages op als zilver en goud.

Toen de tram in de stad werd ingevoerd waren de meningen nog verdeeld. „Men houdt nu eenmaal niet van voorwerpen, waarvoor men moet uitwijken, maar die zelve niet uit den weg gaan”, protesteerde een raadslid in 1876.

En ook lijn 25 werd in 1930 niet juichend ingehaald. Buurtbewoners klaagden over het gejank in de scherpe bocht bij het Victorieplein. Maar tegenwoordig is elke tramhalte die wordt opgeheven aanleiding voor buurtprotest. Laat staan een hele lijn. Geert Mak schreef ooit dat de kraakbeweging de sympathie van de stad verloor toen bij een ontruiming een tram in vlammen opging: „Want aan de tram moet je niet komen in deze stad.”

Het verdriet om het verdwijnen van de 25 werd op geen enkele manier gedempt door de mededeling van het vervoerbedrijf, dat er voortaan een bus langs de Waalstraat en de Maasstraat zal rijden. De bus, dat is openbaar vervoer en de tram is een huiskamer. Misschien komt het door de zittingen die in de bus in de slagorde van een ouderwetse klas staan. In de tram zit je tegenover elkaar.

De conducteur achterin de tram heeft haar „halve been” op een metalen bakje op de deur van haar hokje gelegd, een kruk leunt tegen de wand. „Hij liep net weer goed hè”, zegt de collega die een paar haltes meerijdt. De conducteur is een geboren Brabantse en ze rijdt, zegt ze later, nu zeventien jaar op de tram. Haar man al 37 jaar – „maar dan voorin.” De 25 is haar favoriet, net als de 4, en ze vindt het doodzonde dat hij wordt opgeheven. „Het gaat alleen maar over centen.”

En volgende week? Ze trekt een vies gezicht. Lijn 3. Lijnen die tussen Oost en West rijden, zoals de 3 en de 14 zijn allesbehalve slaaplijntjes. Er zijn bestuurders en conducteurs die er juist van houden, die de volle wind van de stad in het gezicht willen voelen en die dus ook genieten van de grofgebekte jochies van West en Oost. Maar de meeste rijden liefst in de trams die ’s avonds worden gestald in de remises aan de Lekstraat of de Havenstraat.

Zaterdag rijdt lijn 25 zijn laatste 71 rondjes door de stad. Zondagochtend gaat hij voorgoed remise Lekstraat binnen. Om 0.56 uur volgens de dienstregeling.