De slavernij is nog niet voorbij

Caraïbische landen eisen dat hun voormalige kolonisatoren hen compenseren voor de slavernij

Koning Willem-Alexander en koningin Maxima afgelopen zomer in het Amsterdamse Oosterpark bij de herdenking van de afschaffing van de slavernij – precies 150 jaar geleden. Foto ANP

Bij de herdenking van de afschaffing van de slavernij op 1 juli zei de Surinaamse president Desi Bouterse nog dat hij Nederland wilde „vergeven” voor zijn slavernijverleden. Die uitspraak viel bij sommige Surinamers slecht. Zeker bij econoom Armand Zunder. Hij hekelde de president wegens „belediging” van alle nazaten van Afrikaanse slaven.

Zunder heeft zijn zin gekregen. Suriname heeft gisteren aangekondigd alsnog compensatie van Nederland te eisen voor het slavernijverleden. Het land werkt samen met de vijftien andere leden van Caricom, een samenwerkingsverband van vijftien Caraïbische landen waaronder Jamaica, Guyana, Barbados en Trinidad en Tobago. Samen gaan ze eisen dat hun voormalige kolonisatoren herstelbetalingen doen voor de slavenhandel.

Gisteren was hun eerste bijeenkomst in Jamaica, met econoom Zunder als afgevaardigde van Suriname. Ze identificeerden de manieren waarop de landen schade hebben geleden van de slavernij en de ‘apartheid’ erna, die moet worden gecompenseerd. Zo zouden nazaten van slaven meer chronische ziektes zoals hoge bloeddruk en diabetes hebben, door de slechte omstandigheden in die tijd. Er is destijds een achterstand in opleiding en technologische ontwikkeling ontstaan die niet is ingehaald. De Afrikaanse cultuur van de gemeenschap is vernietigd, met een laag zelfbeeld en een zwarte identiteitscrisis tot gevolg. Ook noemen de landen het psychologische trauma uit die tijd, waarin families uiteen werden gerukt en mensen als vee werden verkocht.

In Suriname maakte econoom Zunder eerder al berekeningen die als basis voor herstelbetalingen kunnen dienen. Zo berekende hij de importwaarde voor Nederland van plantageproducten uit Surname in de periode 1682-1940, zoals suiker en koffie: 125 miljard euro, omgerekend naar nu. Bij de emancipatie van de 34.000 slaven in 1863 kregen eigenaren 300 gulden schadevergoeding per slaaf. „Dat is nu in totaal 100 miljoen euro”, zegt Zunder. „En 80 procent ging naar Nederland, want onder de slaveneigenaren waren veel Amsterdamse kooplieden.” Over de hoogte van een claim blijft Zunder nog vaag. Wel stelt hij vast dat de 4,4 miljard euro die Suriname tussen 1947 en 2010 als ontwikkelingshulp kreeg, achterblijft bij de winst uit koloniale opbrengsten destijds.

De nationale commissie die Zunder leidt, gaat nu ook een inventarisatie maken van de andere claims voor herstelbetalingen die Nederland sinds 1945 heeft gekregen. Hij wijst op het ‘Indisch gebaar’ in 2000, toen Nederland 385 miljoen gulden (183 miljoen euro) beschikbaar stelde als ‘rechtsherstel’ voor Nederlanders die in de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië verbleven. Het was een vergoeding voor lijden daar en de gebrekkige opvang bij aankomst in Nederland. Ook kijkt ze naar recente uitkeringen aan Indonesische oorlogsweduwen en de nasleep van de val van Srebrenica. Ook Joodse claims tegen Duitsland worden bestudeerd.

Zunder vindt in elk geval dat Nederland een „ereschuld” heeft. Hij spreekt over „sociaal-economische, mentale, culturele en fysieke schade” voor nazaten. Maar kan zoveel generaties later nog wel van schuld en boete worden gesproken? Zunder wijst op een recente opmerking van de Nederlandse advocaat (van Surinaamse komaf) Gerard Spong. Volgens deze is strafrechterlijke vervolging wegens ‘witwassen’ van winsten mogelijk van bijvoorbeeld rechtsopvolgers van banken die van slavernij profiteerden vanaf 1818, omdat slavenhandel na dat jaar officieel was verboden. Alleen voor die kortere periode dus. Maar het waren toch niet alleen blanken die van de slavenhandel profiteerden, ook Afrikanen zelf? „Met de Afrikaanse rol heb ik niets van doen”, vindt Zunder. „Ik kijk wat Nederland verkeerd heeft gedaan.”

Leeft het debat over herstelbetalingen? Het slavernijverleden zelf staat volgens historicus Jerry Egger van de Anton de Kom Universiteit in Suriname wel in de belangstelling.„In de lesprogramma’s op scholen is er uitgebreid aandacht voor.” Ook zijn er steeds meer Creoolse Surinamers die uitzoeken op welke plantages hun voorouders als slaaf moesten werken. Doordat veel gegevens van plantages, zoals namenlijsten, via internet toegankelijk zijn gemaakt, is dat nu gemakkelijker.

Maar niet iedereen in Suriname is er gelukkig mee. Vanuit Hindostaanse kring werd geklaagd dat de nakomelingen van Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, die na de afschaffing van de slavernij op de plantages gingen werken, zijn uitgesloten omdat alleen van nazaten van slaven en Inheemsen wordt gesproken. Het debat over herstelbetalingen blijft dan ook vooral iets van Creolen. Dat verklaart mogelijk mede de zuinige opstelling van president Bouterse, die alleen al uit electorale overwegingen alle etnische groepen te vriend moet houden.