De broers Quay en hun mannengrot vol voetnoten

Timothy en Stephen Quay

Hun atelier is een doolhof van bizarre collecties en achterdeuren. De broers Quay krijgen een grote expositie in Eye.

De een leegt zijn wijnglas sneller dan de ander in herenclub Boot and Flogger, twee blokken van hun Londense studio. Verder hou je de eeneiige tweeling Quay niet uit elkaar. Dat is ook niet de opzet van deze comfortabele heren van middelbare leeftijd met lang grijs haar. Als ik later hun studio bel met aanvullende vragen, weigert mijn gespreksgenoot te zeggen of hij Timothy of Stephen is. „Wij spreken met één stem.” En dat doen ze, de broeders Quay: elkaars zinnen overnemen, gedachten afmaken. Hun ondeelbaarheid is een van hun geliefde mystificaties.

Het Eye Filmmuseum wijdt vanaf 15 december een grote expositie aan het oeuvre van deze filmmakes. In 1947 geboren in het Amerikaanse Philadelphia, staken de Quays in 1969 de oceaan over om te studeren aan het Royal College of Art in Londen. Van daaruit reisden ze langs obscure filmfestivals op het continent en ontdekten de surrealistische animatie van Oost-Europa: Borowczyk, Svankmajer, Norstein.

Zes weken woonde het duo eind jaren zeventig in Amsterdam en een half jaar in Den Haag om boekomslagen voor Céline en Italo Calvino te ontwerpen. Nederlands leerden ze niet („Na een half jaar bestelden wij bij de bakker nog steeds besneden brood”). Maar de naam van hun studio – Koninck – getuigt van hun blijvende liefde voor Belgisch bier.

In 1979 lokte producer Keith Griffiths ze terug naar Londen met een beurs voor een animatiefilm en waren ze verkocht. „Dat was het”, zeggen de Quays. „Stop-motion animatie is een ambacht. Wij moeten iets in onze handen voelen, dan leeft het. Onze wereld is haptisch, op tastzin gebaseerd.

„Bovendien is animatie goedkoop. Een producer zorgt voor een beurs waarmee wij een jaar rondscharrelen terwijl hij ons alweer is vergeten. Dan komen we met de film en zegt hij: o ja, dat is waar ook.

„Zoiets geeft ruimte. U wilt niet weten hoeveel doodlopende wegen we inslaan tijdens het filmen. Maar we zijn genadeloos voor onszelf en gooien zo drie dagen werk weg. We hebben kasten vol bloopers. Helaas zijn die niet grappig.

„Eerder pathetisch.”

Sledgehammer

Soms spekten de Quays de kas met een commercial of videoclip: hun werk voor de Sledgehammer-clip van Peter Gabriel werd beroemd. Maar de Quays beroepen zich daar liever niet op. „Geweldige song, geweldige clip, een mijlpaal. Maar in 1986 beleefden wij ook onze artistieke doorbraak met de korte film Street of Crocodiles. Daar stonden we in een enorme, goed verlichte studio vol leuke, enthousiaste mensen.”

„We keken elkaar aan en zuchtten: oh boy, wordt dit het? En holden snel terug naar onze kleine stoffige studio.”

Wel hebben de Quays – na werk voor opera en theater – hun actieradius inmiddels tot speelfilms verruimd met echte acteurs, te beginnen met Institute Bejamenta (1996), opgenomen in het fluwelige soft focus van stille films uit de jaren twintig. Ook over die film ligt die waas van dromerige betovering die de Quays typeert. Hun schemerige doolhoven zijn niet morbide of macaber, maar Unheimisch en hypnotiserend. Vaak schrik je midden in hun films op en vraagt je je af: hoe ben ik hier beland?

„Je vindt ons ergens tussen surrealistisch en poëtisch”, zeggen de Quays. „We zondigen vooral richting poëzie.

„Dat dromerige komt omdat we nooit de voordeur gebruiken. We zoeken altijd een achterdeur, zijdeur of voetnoot. Er is een reis, een verhaal, maar die begint op een plek waar niemand ooit kijkt. Soms is dat literaire inspiratie: Robert Walser, Kafka, Bruno Schulz. Maar van Kafka lezen we dan welbewust geen roman, alleen zijn dagboeken. Wel zagen we al zijn films.”

Voetnoten en zijdeuren

De studio van de Quays in Toulmin Street puilt uit van voetnoten en zijdeuren. Een schemerige mannengrot is het. Voorin de ‘wijnbar’: een tafel met Portugese tegels waar de tweeling „met een rituele fles rode wijn” brainstormt. Achterin camera’s en lampen, boven een rommelzolder met oude sets, verder stoffige boekenkasten, kaarsen, kroonluchters, geweien, porseleinen poppen, een plastic aap, een muis met een meetlint uit zijn buik. Prullaria opgesnuffeld op rommelmarkten van Krakau tot Londen, en ooit misschien rekwisiet, beginpunt of zelfs hoofdrolspeler van een film. Want wat dood is, kan zomaar tot leven komen bij de Quays.

Wat interesseert ze bijvoorbeeld aan een foeilelijk, knullig schilderij van een pas gedoopte Jezus, omringd door jachthonden? „Dat zijn geen honden maar schapen.”

„Schaapshonden?”

„Hoe dan ook, het is een ex voto uit Mexico. Misschien geschilderd in opdracht van een boer wiens rechterarm werd afgerukt en die dat overleefde. Hiermee dankte hij God. Zoiets heeft een eigen taal, een gedachtewereld. Die interpreteren we en vertalen we naar film. Juist als we de achtergrond niet kennen, gaat onze fantasie werken.”

De Quays zijn verzamelaars, gefascineerd door collecties: hun wereld is er één van 19de-eeuwse ladekasten, opgeprikte vlinders en gynaecologische gruwelinstrumenten. „We moeten het niet hebben van de collecties van het Louvre, Metropolitan of Rijksmuseum, maar van provinciale collecties, verborgen en obscuur. Van de rommel achterin theaters, gebroken decors en kostuums vol motten, ontroerend en diepzinnig en vol verrassingen.”

En geheimtaal. Neem de brieven van Emma Hauck die de basis vormden van In Absentia (2000) die de Quays maakten met Karlheinz Stockhausen. De broers vonden ze in de Prinzenhorn-collectie: kunst van psychiatrische patiënten. „Emma schreef in groene inkt en piepkleine lettertjes brieven aan de echtgenoot die haar in het gesticht achterliet. ‘Darling love, please come.’ Duizenden keren, bijna onleesbaar en nooit verstuurd. Je stelt je de psychotische bevingen voor die door haar lichaam razen onder het schrijven, haar pijn. Zo vreselijk treurig. Voor ons grenst zo’n film aan fictie, en aan documentaire.”

Maar een documentaire in geheimtaal. Want zo is het ook met de gebroeders Quay: als je het begrijpt, is het niet langer interessant.

De expositie The Quay Brothers Universum opent op 15 december in het Eye Filmmuseum. Inl: eyefilm.nl

    • Coen van Zwol