Behandel kunst niet als industrie

Nee, Daamen – kunst bestaat niet bij gratie van publiek, het mag er zijn om zichzelf, aldus Hans Maarten van den Brink.

Melle Daamen gooide zaterdag de knuppel in het hoenderhok: er is te veel kunst in Nederland, daar is helemaal geen behoefte aan, en al evenmin aan al die jonge kunstenaars die beweren dat ze hun talent moeten ontwikkelen omdat ze die kunst eens flink gaan vernieuwen.

Er valt veel te prijzen in Daamens poging het debat op gang te krijgen. Om te beginnen zijn consequente gebruik van het woord ‘kunst’ in plaats van het laffe containerbegrip ‘cultuur’. Cultuur? Dat is de manier waarop wij met elkaar omgaan. Dus zo’n beetje alles: van het gebruik van mes en vork tot de mores in de Tweede Kamer. Onze weg- en waterbouw behoren er evengoed toe als de wijnen in de ‘cultuurwebwinkel’ van NRC Handelsblad met hun ‘gegarandeerde kwaliteit’.

Kunst daarentegen veronderstelt juist een oordeel over die kwaliteit, een oordeel dat nooit gegarandeerd maar altijd aanvechtbaar is. Je moet maar durven, om iets ‘kunst’ te noemen. En je hebt een goed verhaal nodig om de steun van de samenleving daarvoor te vragen. Maar helaas vertelt Daamen dat verhaal nu juist niet. Op vragen die met kwaliteit te maken hebben, geeft hij antwoorden die de kwantiteit betreffen. Hoeveel balletgezelschappen hebben we nodig, en hoeveel dansopleidingen? Waarom houden we elf orkesten en zeventien ensembles overeind bij een dalende publieksbelangstelling en gegeven de omstandigheid dat de uitvoeringspraktijk van klassieke muziek internationaal is? Geen irrelevante vragen. Maar ze gaan niet over kunst. Ze maken industriepolitiek van kunstbeleid.

Dat is ook precies wat de minister van Cultuur, dr. Jet Bussemaker, doet in de dit najaar verschenen ‘visiebrief’. Alleen de titel doet de moed in de schoenen zinken van eenieder die beseft dat cultuur en samenleving vrijwel identieke begrippen zijn. Die luidt namelijk: ‘Cultuur beweegt – de betekenis van cultuur in een veranderende samenleving.’ Dat de cultuur en de samenleving tot stilstand zijn gekomen – dat zou pas nieuws zijn geweest! Het woord ‘kunst’ komt in de hele brief nauwelijks voor.

De minister stelt in haar principeverklaring dan ook dat zij prioriteit gaat geven aan ‘de maatschappelijke waarde van cultuur en aan het belang van creativiteit’, met name als het gaat om ‘vraagstukken op het gebied van zorg, maatschappelijk verantwoord ondernemen, energie- en voedselvoorziening, krimp en vergrijzing’. Ik ben bang dat onze orkesten en dansgroepen daar maar weinig aan gaan doen. Maakt dat ze overbodig? De rode draad in het vertoog van minister Bussemaker, en ook in dat van Melle Daamen, lijkt te zijn dat de kunsten wel mogen bestaan, zolang zij hun recht daartoe maar aan iets anders ontlenen. Aan de vergrijzing bijvoorbeeld. Of aan de kaartverkoop. Of aan een gewiekste combinatie van beide. ,,De cultuursector is een sector met een duidelijk economisch belang’’, schrijft Bussemaker. Daamen refereert steeds weer aan de toeloop van publiek, die nu eenmaal niet alleen met de kwaliteit van het gebodene te maken heeft. Reden waarom hij in zijn functie als schouwburgdirecteur te Amsterdam zoveel waarde hecht aan een aantrekkelijk restaurant. En daar is helemaal niks mis mee. Want waarom zou je beroerd moeten eten en drinken voor of na een mooie voorstelling? Maar het omgekeerde is natuurlijk niet waar: een goede maaltijd beïnvloedt hopelijk het humeur van schouwburgbezoeker, maar heeft niets te maken met artistieke kwaliteit.

Het eerste kabinet-Rutte werd wel verweten dat het opereerde vanuit een regelrechte kunsthaat; staatssecretaris Halbe Zijlstra maakte daarin naam als de subsidiesloper. Is het zoveel anders nu CDA en PVV plaats hebben gemaakt voor de sociaal-democraten? Ik meen van niet. De bezuinigingen gaan gewoon door; en daarnaast wordt de gekortwiekte kunstensector nu ook nog opgeroepen om eindelijk eens duidelijk te maken wat voor nut zij eigenlijk heeft.

Dat is niet alleen neerbuigend, het is onterecht. Goede kunst mag er zijn om zichzelf. Er kan uitleg bij nodig zijn, en er is altijd kritiek op mogelijk, maar ze heeft geen rechtvaardiging nodig om te bestaan. Zo uitzonderlijk is dat overigens niet. Het is ontegenzeggelijk waar dat een goede gezondheid voordelig is voor de economie; gezonde werknemers produceren beter en kunnen ook beter consumeren. Maar is dat de reden dat de samenleving in de zorg investeert, of erkennen we wel degelijk dat gezond-zijn ook op zichzelf waardevol is? Dat niet alleen het consumeren van kunst van belang is, maar dat ook het maken ervan bijdraagt aan een betere samenleving? En dan geldt voor kunst bovendien nog dat het een van de weinige zaken is die in later eeuwen van onze cultuur zal blijven getuigen, lang nadat ook de gezondste mens is overleden.

Wie het debat een radicale wending wil geven, moet dus misschien wel beginnen met de nul-optie: wat als we er helemaal geen cent meer aan besteden, alle musea en theaters sluiten, is dat een aantrekkelijk plan? Dat ben ik dan weer helemaal met Melle Daamen eens. Hetantwoord moet in de eerste plaats door kunstenaars worden gegeven, niet door technocraten.