‘Mijn orgel moet subtiel swingen, niet gieren’

De Amerikaanse jazzorganist Larry Goldings treedt met zijn trio op in Rotterdam vanavond. ‘Ik hou van underplaying’

Trio Bernstein, Goldings en Stewart foto Till Brönner

In iedere jazzclub die hij op zijn Europese tournee aandoet staat straks een Hammond B3 voor hem klaar. Soms krijgt de Amerikaanse jazzorganist Larry Goldings een ‘budgetvariant’. „Dat kan een psychologisch uitwerking op je spel hebben. Ronduit stoeien is het met zo’n leending; het kost je soms een hele show om te ontdekken wat dat ding kan en vooral níet kan.” Maar soms, voegt hij toe, aan de telefoon vanuit Zürich, „vind je uit frustratie ineens iets uit op een manier die je niet voor mogelijk had gehouden.”

Larry Goldings (Boston, 1968) is als toetsenist een vaardig en eclectisch sideman in jazz- en popbands van John Scofield, Jack DeJohnette en Jim Hall, Maceo Parker en James Taylor. Anders dan veel andere Hammond-organisten is Goldings niet van het loeiharde, heavy swingende spel of van de snelle effecten. Goldings is meer van de subtiele aanpak. De ‘Jimmy Smith’-benadering, van moddervette noten uit een gierend door de bocht scherend orgeltje met voet-tappende energie, laat hij bewust links liggen.

„Geen overplay voor mij”, zegt hij. „Ik houd juist van underplaying: niet te veel noten, geen vuurwerk en kabaal. Organist Jimmy Smith beheerste die stijl beter dan iemand dat kan. En veel orgeltrio’s gaan in die funky opgewonden stijl verder. En dat kun je ze nauwelijks kwalijk nemen, je kunt je moeilijk wegdraaien van je invloeden. Musici als Jimmy en Larry Young vonden die moderne jazzsound op het orgel uit.”

Maar, zegt Golding, hij houdt zeer van individualisme in de jazz. „Dat je hoort wie speelt; dat je als muzikant echt een eigen stem hebt. Dát brengt naar mij idee de jazz verder.”

Goldings laat het vooral horen met zijn eigen, inmiddels goed bekend staande jazztrio met gitarist Peter Bernstein en drummer Bill Stewart. Het trio levert bedachtzame en subtiele jazz, met relatief veel ballads. Misschien meer ‘cool’ dan ‘sweat’, maar zeker niet zonder gevoel.

Nog maar een paar weken geleden gaven ze concerten in de New Yorkse jazzclub Village Vanguard, nu zijn ze samen op een korte tournee door Europa. Vanavond treedt het trio op in Rotterdam.

Traditioneel draait het in een jazzorgeltrio om het orgel. De rol van de gitarist is ondergeschikt en daardoor vaak minder interessant. Maar bij het trio van Goldings speelt gitarist Bernstein juist een belangrijke rol rond de warme melodie van het orgel. En ook drummer Stewart laat zich horen in sierlijke patronen. „Eigenlijk veracht ik de benaming ‘orgeltrio’”, stelt Goldings. „Wij zijn gelijkwaardig.”

Het zijn musici die hij al sinds zijn schooltijd, of net erna, kent en het voelt als ‘thuiskomen’ als de band samen speelt. „We houden van de swingtraditie en staan met één voet in de geschiedenis. We delen daarnaast hetzelfde gevoel voor esthetiek. We zijn sensitieve luisteraars, we componeren allen, we spreken dezelfde taal. Zelfs drummer Bill, die veel van harmonie weet, omdat hij ook piano speelt.”

Toch, zegt Goldings, begrijpt hij de opgewonden sfeer die rond een Hammond B3-orgel hangt. Een tijd speelde hij met saxofonist Maceo Parker in grote zalen. „Het was te gek te zien hoe de groove daar aansloeg. Dat had een heel ander doel, je wílt dat de mensen zich goed gaan voelen.”

Goldings/Bernstein/Stewart, vanavond in LantarenVenster, Rotterdam.